Cultuur



Bruegel en Maria (deel 1)

Jeroen Olyslaegers


dit spookt al sinds vanmorgen rond in mijn hoofd, want het is een merkwaardig onderwerp. hoe verhoudt Bruegel zich tot de Heilige Maagd? ge kunt de mens bezwaarlijk als een religieus schilder beschouwen, gezien het aantal religieuze taferelen in zijn oeuvre eerder beperkt is.


Bruegel schilderde immers vooral voor handelaars, mensen met 'nieuw geld', de ondernemers van hun tijd. een kerkleider als kardinaal Granvelle bestelde ook bij hem, maar die man was toch in de eerste plaats politicus en werd ook zo beschouwd. bij Bruegel ziet ge het belang van het klassiek katholicisme juist afnemen. mensen willen taferelen uit het dagelijks leven en dat krijgen ze van hem. en het is juist de spanning tussen dat dagelijkse - eerder geënsceneerd realisme, want we zijn hier bezig over een lepe vos - en het religieuze dat sommige schilderijen zo merkwaardig maakt. er heerst vrijheid in het dagelijkse, terwijl het religieuze, of het 'verlichte' eerder is afgelijnd, beantwoordend aan codes waar het dagelijkse niet aan beantwoordt.


maar eerst naar een merkwaardig schilderij waar die bovenstaande stelling van mij (bewust contrast tussen dagelijkse en religieuze) meteen al op losse schroeven wordt gezet.

De Dood van Maria is een uitzonderlijk werk.

ik heb gelezen bij Tine Meganck in haar boek 'Erudite Eyes' dat Abram Ortelius nauw betrokken is geweest bij het ontwikkelen van dit paneel uit - vermoedelijk - 1564. Ortelius en Bruegel waren vrienden en Ortelius zou spiritueel advies hebben gegeven. we weten niet of Ortelius de opdrachtgever was van dit schilderij, maar hij heeft het wél een tijdje in zijn bezit gehad. meer nog: de prent die later werd gedrukt op basis van dit schilderij (en een tekening die Bruegel heeft gemaakt) werd door Ortelius naar verschillende van zijn vrienden gestuurd. dit was voor hem een belangrijk werk. het schilderij heeft als onderwerp 'licht' stel ik voor. er zijn drie lichtbronnen: de open haard links waarnaast een man in diepe slaap verzonken zit, de olielamp bijna centraal vooraan en uiteraard de kaars die de stervende Maria vast houdt. Maria zelf lijkt ook een lichtbron te zijn, niet te onderscheiden van die kaars.


er gaat een sterke emotie uit van dit schilderij, maar ze voedt een ingehouden, enorme kracht. het schilderij ademt mee met Maria, de omstaanders van Maria houden hun adem in en wij doen hetzelfde. wie ooit al bij de laatste ogenblikken van een stervende mens is geweest, weet waar ik het over heb. Maria is aan het mediteren. ze contempleert het crucifix aan haar voeteneinde en ze let op haar ademhaling. rustig is ze, klaar om de transformatie die de dood brengt te aanvaarden. waaraan doet dit krachtig beeld denken? misschien aan een bevalling waar de ademhaling uiteraard ook een prominente plaats krijgt. maar hier heerst sereniteit. niettemin: Bruegel speelt met het begin, de Annonciatie van de engel Gabriël die ooit in die zelfde kamer tegen Maria kwam vertellen dat ze zwanger is van God.

dat maakt het schilderij zo emotioneel: de cirkel is rond, het afscheid nakend, en Maria is een en al focus op haar sterven.


waarom was dit zo belangrijk voor Ortelius? was hij een devoot man? ongetwijfeld, maar allicht niet in de klassieke betekenis van het woord. ik zou hem eerder een spiritueel mens noemen die net zo goed zijn waarheid haalt bij Erasmus, Seneca en zoveel schrijvers uit de antieke tijd. de dood is de ultieme test voor de stoïcijn die Ortelius toch blijkt te zijn. dit is het moment waar heel die levenshouding wordt getest: rustig blijven ten opzichte van de dood, het stervensmoment ondergaan met de nodige afstand en ook wel nieuwsgierigheid. is dat religieus? dat zou men zo kunnen omschrijven, maar tegelijk zou dat aspect de kern van de zaak kunnen verwarren. dit schilderij is geen aanbidding van de maagd Maria, al heerst er groot respect en mededogen. deze mensen vanuit het duister en vanuit het licht kijken naar een vrouw die met moed en meditatie het ultieme ondergaat. dat maakt het zo intens... we blijven samen met haar ademen...


Jeroen Olyslaegers



Bruegel en Maria (deel 2)

Jeroen Olyslaegers

daarnet vertelde ik over het intens emotionele Maria-schilderij van Bruegel, de Dood van Maria.

zoveel Maria's verschijnen er niet in zijn schilderijen, ik tel er nog drie, en geen van hen zijn emotioneel.


neem nu De Volkstelling waar ik hier al eerder over schreef.... dat is een fantastisch schilderij, vol met ambiguïteit (check wat ik daar eerder over schreef, samen met de Strijd tussen Vasten op Vastenavond op deze pagina of op Aantekeningen voor Schrijver en Wildevrouw waar al Bruegel-verhalen zijn verzameld),

en vol met leven. kijk naar al dat leven, de mensen die staan aanschuiven, de mensen die op het ijs bewegen. het is allemaal zo herkenbaar. ja begot, zo zegt ge tegen uzelf, dat zijn wij, zo zijn mensen.

check nu het contrast met Maria. ze komt dit werk binnen als een icoon. ze heeft volstrekt geen interactie met wie ook. ze is een en al contemplatieve energie, op zichzelf betrokken.

ze is ook echt anders dan wie ook op dit schilderij. in contrast met al dat leven komt ze uit een andere dimensie. pakweg een eeuw later, tijdens de barok, krijgt Maria openlijk emoties, wordt er gehuild, gesnotterd en afgezien. ze wordt menselijk, al te menselijk zelfs. maar dat ligt hier in de schilderkunstige toekomst. zou het niet kunnen dat Bruegel met zijn Maria terugblikt in het schilderkunstig verleden? in contrast met al dat leven past zijn Maria eerder bij hoe Van Eyck of Patinir of andere Vlaamse Meesters hun Maria's zagen: contemplatief en iconisch.


het contrast is nog straffer bij de Kruisgang, een verbijsterend schilderij over onverschilligheid, gebrek aan focus of aandacht en wat een mens dus tot mens maakt. vrijwel niemand heeft interesse in het grote drama dat daar plaats vindt: de nakende kruisiging van Christus. zoals ik al eerder schreef: dit werk toont hoe ge zelfs het horen van lawaai kunt tonen. mensen zijn afgeleid door een opstootje aan de linkerkant en we kunnen zien hoe ver dat rumoer reikt en wie het nog bereikt. echt fantastisch.

niemand geeft wat om Christus, maar de treurende Maria krijgt evenmin aandacht, tenzij de mensen in haar onmiddellijk nabijheid. ze staat wel prominent centraal aan de rechterkant, maar ze lijkt wel anders geschilderd. weer denk ik aan Van Eyck. wat zou dat kunnen betekenen? ze is een icoon, zeker, maar zou het ook niet kunnen wijzen op haar status als 'idee'? want zo lijkt ze wel geënsceneerd: Maria als idee krijgt een eigen plek en als idee is ze ongenaakbaar, afstandelijk, een eigen werkelijkheid te midden van het bruisende menselijke bedrijf dat zo snel geraakt afgeleid... en wat domineert dit schilderij? de molen op een krankzinnige heuvel. de molenaar en zijn bedrijf werden vaak opgevoerd als flierefluiters in de liederen van toen. vreemd en interessant contrast; het brood is nodig, maar wie het graan maalt is suspect. het malen van het dagelijkse leven, de rat race (om het in hedendaagse termen te zeggen) kijkt wiekend uit over het grote Mysterie en alles gaat zijn gang....


Jeroen Olyslaegers



Bruegel en Maria (deel 3)

Jeroen Olyslaegers

nu moet ik vertellen over de vierde Maria... na de stervende Maria, en de twee Maria's als iconen, hebben we Maria op het schilderij de Aanbidding van de Wijzen.


mensen, toen ik dit voor de eerste keer zag in Wenen op de Bruegeltentoonstelling, kreeg ik het koud. ik dacht: wat is me dat, dit schilderij is verderfelijk, bewust lelijk, pervers, is dit écht een Bruegel? het was Bruegelkenner Manfred Sellink die me nadrukkelijk naar dat werk stuurde, als een mogelijk inhoudelijk vervolg op de Dulle Griet uit 1563. dit schilderij stamt overigens uit 1564, net zoals de stervende Maria, maar wat een verschil...

hier heerst dreiging, verraad, zelfs mogelijk angst.


om dit te begrijpen stel ik voor dat we even kijken naar Jeroen Bosch die vierenvijftig jaar eerder, in 1510, zijn Aanbidding schildert. kijk naar zijn opstelling van de Wijzen zelf en kijk dan naar Bruegel. ze spiegelen elkaar... kijk naar dat kot achteraan op het schilderij van Bosch waar de smeerlapperij heerst; een koning met een beenwonde en een vervaarlijke grijns (vaak geïnterpreteerd als zijnde Satan), kijk die mensen allemaal gluren rondom de Wijzen en Maria. wist u dat in de tijd van de Romeinen de uitdrukking 'Wijzen uit het Oosten' werd gebruikt als omschrijving van wat zij 'de Magi', noemden, een volk dat zij situeerden in Perzië, en daarmee ook deaanhangers van het Zoroastrisch geloof bedoelden? Plinius achtte hun leer als een van de oudste religies. en onder hun magie viel astrologie, astronomie, wiskunde, en zo veel meer.


Bruegel ziet die Wijzen helemaal anders: ze zijn namelijk corrupt, leugenachtig, gevaarlijk. hun klederdracht is bijzonder, zoals Manfred Sellink in de catalogus van de Bruegeltentoonstelling aangeeft, de kleren lijken te groot, buiten proportie. kijk naar de zwarte Wijze die staart naar iets dat zich buiten het schilderij afspeelt, hij is zelfs niet geïnteresseerd in Christus, maar lijkt eerder opgeslorpt door een gevaar buiten het paneel. kijk naar die andere twee Wijzen, door hun lijf afgemat, versleten en allicht gecorrumpeerd.

hoe weten we dat ze slecht zijn of minstens onbetrouwbaar? kijk naar Christus zelf, hij deinst er verdorie van terug, wil niks te maken hebben met die smeerbossen en hun geschenken. waar Bosch de corruptie nog beperkt in de omgeving van de vervallen hut, gaat Bruegel véél verder: de corruptie is om knijpafstand van het heilig Kind.


maar er gebeurt nog iets heel merkwaardigs. kijk naar Maria met haar geloken ogen. ze is een en al contemplatie, maar tegelijk ook actief jegens haar Kind. ze lijkt Jezus aan te porren: wees eens beleefd tegen die lieve mensen hier...

dat is heftig. is zij dan ook euh... corrupt? of toont ze aan Christus wat het materiële leven betekent, kijk Zoon, zo zijn ze hier allemaal.


kijk trouwens ook naar Jozef: iemand fluistert wat in zijn oor, 'ge peinst toch niet dat dit uw kind is, gij hoorndrager?' kijk rechts van hem, de brildrager die vaak symbool staat voor zien, maar dus niet écht kunnen zien, morele blindheid. het influisteren van Jozef wordt zelden getoond of verteld, heb ik begrepen. Bruegel verwijst hier naar een traditie die vooral bij de oosterse orthodoxen opduikt waar de mogelijke corruptie van Jozef meer opduikt...

kijk ook naar de militaire aanwezigheid op dit schilderij: overal soldaten, wapens, dreiging... ik zag het nooit eerder bij andere schilders (wie dat wel al heeft gezien; mail me!)

een ding is duidelijk: Bruegel speelt hier hoog spel en zijn Maria krijgt hier minstens een ambigue rol toebedeeld (om maar te zwijgen of Jozef...)


het religieuze van Bruegel wordt hier een reflectie op de orthij doksij, de juiste weg, belichaamd door het buikgevoel en inzicht van het Kind. overal heerst er corruptie, verleiding, argwaan, bedrog. ik vermoed dat Bruegel hier zijn tijd beschrijft en wat religie in het dagelijkse leven betekent... en de echte leer? die leert men door Christus te bestuderen en te imiteren en enkel hem. het menselijk spel begint bij de geboorte: de afleiding, de onverschilligheid, de hebzucht, de corruptie. laat u er niet door afleiden, lijkt Bruegel hier te zeggen. onderschat het menselijke van de mens niet, en het juiste pad? is heel eenzaam.


Jeroen Olyslaegers


A psychologist walked around a room while teaching stress management to an audience. As she raised a glass of water, everyone expected they'd be asked the "half empty or half full" question. Instead, with a smile on her face, she inquired: "How heavy is this glass of water?"


Answers called out ranged from 8 oz. to 20 oz.


She replied, "The absolute weight doesn't matter. It depends on how long I hold it. If I hold it for a minute, it's not a problem. If I hold it for an hour, I'll have an ache in my arm. If I hold it for a day, my arm will feel numb and paralyzed. In each case, the weight of the glass doesn't change, but the longer I hold it, the heavier it becomes."


She continued, "The stresses and worries in life are like that glass of water. Think about them for a while and nothing happens. Think about them a bit longer and they begin to hurt. And if you think about them all day long, you will feel paralyzed – incapable of doing anything."


Remember to put the glass down.

Ik ga iets onnozels doen. ik ga op dit medium proberen duidelijk te maken waarom de zestiende eeuw in deze streken op intellectueel vlak zo prikkelend en intrigerend voor mij is. ik moet het dan immers hebben over een leescultuur die wij nog nauwelijks kennen. ik moet het dan hebben over een 'fil rouge' in de geschiedenis van de letteren die voor een stedeling in een stad als Antwerpen evident was.


De scholingsgraad was immers indrukwekkend, zowel voor jongens als voor meisjes en dat kwam door de emanciperende kracht van de handel, zoals ik al eerder schreef. het was met andere woorden noodzakelijk om talen te beheersen, te kunnen rekenen en hier en daar wat meeklappen over de klassiekers. ik borstel nu vrij ruw, maar u snapt waar ik naartoe wil.


Ik denk dat alles begint bij Erasmus. wie Bruegel en zijn tijdgenoten wil begrijpen, moet ook nagaan wat de bestsellers van hun tijd waren. de Spreekwoorden van Erasmus waren op een bepaald moment het best verkochte boek na de Bijbel... waarom is Erasmus zo fantastisch? omdat hij met een grote intellectuele kracht aan zijn lezers duidelijk maakte dat de grote klassieke auteurs uit Griekenland en Rome rechtstreeks in contact staan met het leven van zijn eigen tijd. dat deed hij door spreekwoorden te ontleden die iedereen vaak gebruikte en vervolgens daar over duidelijk maken dat ook iemand als bijvoorbeeld Seneca soortgelijke wijsheid of zelfs bewoording gebruikt. Erasmus toont dus aan dat het verleden in feite een constructie is (mijn eigen interpretatie) en vooral: dat zijn tijdgenoten dezelfde arena van wijsheid kunnen betreden als die van Seneca, Ovidius, Plato en Homeros. de mens was drempelverlagend en ontroerend vanwege zijn eigen wijsheid.


Maar! hij was ook een groot satiricus zoals zijn Lof Der Zotheid aangeeft. satire was luim en ernst voor hem en dat gaat terug naar die oude combinatie van observeren én er de draak mee steken, van de stoïcijnen en de satirici... één energie. (ja, die is mij dierbaar... meer nog: dat is ook mijn traditie).


Dan komen we aan bij zijn tijdgenoot, de in alle opzichten indrukwekkende en raadselachtige Rabelais. zijn verhalen over de reuzen Gargantua en Pantagruel zijn ongebreidelde satire, maar tegelijk zitten er bijzonder veel verwijzingen in naar alchemie en occulte kennis. het is altijd de zot die de waarheid vertelt. Rabelais is zelf tot priester gewijd, maar diende vaak voor zijn leven te vrezen vanwege de ketterij die sommige overheden in zijn werk zagen. Rabelais en Erasmus waren vrijdenkers, ze hekelden de hypocrisie van de kerk en van priesters die niet al te zedelijk waren.


Een van hun voorlopers was Jean de Meung uit de dertiende eeuw. het was Guillaume de Lorris die de Roman van de Roos is beginnen dichten als een hoofs liefdesgedicht, maar het is Jean de Meung die veertig jaar later het roer overneemt en van de tekst een heftige, niets ontziende satire maakt waar het gedwongen celibaat wordt gehekeld, tirades over de autonome seksualiteit van de vrouw worden gelanceerd, en overspel voor zowel voor man als vrouw van aanmoedigende raad wordt voorzien.


Ook Jean de Meung is overigens een alchimist of weet er aardig wat van. deze dichters, filosofen en satirici waren niet voor één gat te vangen. de Roman van de Roos werd dus ook drie eeuwen later in de zestiende eeuw graag gelezen. De Meung heeft het daar trouwens al over de satirische grootmeester Juvenalis uit het einde van de eerste, begin van de tweede eeuw. De Meung citeert en becommentarieert een paar uitspraken van hem.


Ik vind het wonderlijk hoe die teksten al die eeuwen hebben overbrugd. en hoe fantastisch moet het geweest zijn in de zestiende eeuw dat er nog steeds teksten uit de Oudheid konden worden ontdekt, op dat moment komen bijvoorbeeld de Oude Grieken steeds meer in beeld...


Maar hier is dus de kick: satire van Juvenalis en Petronius (met zijn beroemde Satyricon) die rechtstreeks invloed hebben op mensen uit de zestiende eeuw, alsof het tijdgenoten zijn. en zoveel mensen die door die boekdrukkunst dat allemaal konden lezen, citeren, zich er door lieten inspireren. wat een weelde!


Denk nog eens aan die combinatie stoïcisme en satire, en dus aan de morele kracht van de spot.


En blader dan eens in een boek met werk van Bruegel....


Nog één ding: mensen vragen me vaak wie mijn voorbeelden zijn. maar niemand vraagt nog in welke traditie ik zit. ik voel me niet verwant aan de negentiende-eeuwse roman, aan Flaubert of aan de twintigste-eeuwse Nabokov of ergens tussen hen in. niet mijn ding. dit is mijn traditie: Petronius, Erasmus, Rabelais, Juvenalis, alles door elkaar qua tijd, maar allemaal morele satire. maar hoe legt ge dat uit aan mensen die dit niet kennen?


Jeroen Olyslaegers


Nu ik toch samen met Stef op de trein zit naar Wenen in opdracht van Museum Mayer van den Bergh en we nog enkele uren lekker ontspannen reizen, zijn we, ieder op zich en met af en toe een gezamenlijk aha-moment, met Bruegel bezig en met mijn roman-in-wording Wildevrouw.


Intussen hebben we vernomen dat De Dulle Griet in Wenen naast de Triomf van de Dood zal hangen. en zo hoort het ook. jammer genoeg zal De Val der Opstandige Engelen daar niet bij zijn, omdat het Koninklijk Museum van Brussel dat schilderij niet wilde uitlenen. jammer, zeker wanneer ge weet dat het wereldberoemde Prado te Madrid wél bereid bleek om de Triomf naar Wenen te laten afreizen.


De Val van de Opstandige Engelen is uit 1562, we weten nog maar recent dat de Dulle Griet uit 1563 stamt, en van De Triomf van de Dood hebben we geen datering, hoewel experts er vrijwel zeker van zijn dat het paneel geschilderd werd voor 1566-67.


We kunnen die drie dus nog steeds in elkaars buurt brengen qua datering. ze hebben ook hetzelfde formaat. waren zij van dezelfde opdrachtgever?


Er gaan nu steeds meer stemmen op om de link die men eerder zag tussen de drie panelen in twijfel te trekken. er zijn kunsthistorici die stellen dat de drie niets met elkaar te maken hebben qua inhoud, en dat ge alvast De Val op dat vlak niet kunt verbinden met de Griet of de Dood.


Daar ben ik het niet mee eens.

volgens mij is de Val het eerste schilderij van een drieluik en is de Dulle Griet ofwel het antwoord op de Val, of het sluitstuk van dat drieluik, met de Triomf in het midden. nee, ik denk dat ik echt weet wat de volgorde is. 'weten' betekent hier 'ik heb een idee en ik heb ook een tunnelvisie over dat idee'.


Maar eerst even terug naar de Val. In haar Bruegelboek heeft Leen Huet een aanvaardbare hypothese over het ontstaan van dit paneel. Bruegels rechtstreekse concurrent te Antwerpen was de schilder Frans Floris. de twee schilder verschilden dag en nacht qua aanpak, qua inhoud en allicht qua mentaliteit. Floris was bijzonder populair, hij was dé schilder van die periode en hij belichaamde op zijn manier de Italiaanse renaissance. bij hem voelt ge de rechtstreekse invloed van de antieke mythologie en dat is best bijzonder. Bruegels houding ten opzichte van diezelfde Italiaanse aanpak was helemaal anders. hij heeft het land bezocht en lijkt daar vooral een liefde voor het landschap te hebben opgedaan, en zo begint zijn carrière ook: landschappen waar gaandeweg mensen in verschijnen, soms luguber in onze ogen, of spannend, maar daar moet ik op een ander moment over reflecteren en schrijven. soit, Leen Huet beweert dat Bruegel zijn concurrent wilde laten zien wat hij kon. Floris schilderde zijn Val van de Opstandige Engelen in 1554, acht jaar later komt Bruegel af met zijn versie. en ja, er zijn zelfs wat schriftelijke bewijzen dat de clique rond Floris (allicht zijn zuipmakkers en leerlingen) maar niks moesten hebben van Bruegel. maar meer dan dat hebben we niet echt.


Maar goed, allemaal interessant, dat wel. niettemin wordt hier de opdrachtgever helemaal uit het zicht gehouden. dat is zeer begrijpelijk, gezien zijn identiteit onbekend is en niemand veel wilt speculeren. ik kijk naar die schilderijen en ik kijk naar de rest van het werk van Bruegel en denk: deze drie zijn anders dan al de rest, en ja, ze zijn wel degelijk inhoudelijk aan elkaar verwant.


Ze verbeelden het apocalyptische, maar telkens vanuit een ander perspectief. bij de Val van de Engelen komen we rechtstreeks bij de Bijbel uit, meer bepaald de Openbaring van Johannes, hét apocalyptische verhaal uit de christelijke beschaving, de voorgeprogrammeerde zwarte doos van het ongeluk dat 'Mens' heet.


De Val toont de Apocalyps in de hemel, de rebelse engelen krijgen er van langs door engelen geleid door aartsengel Michaël, de meest militaire van alle aartsengelen.


De Triomf van de Dood toont ons de Apocalyps op de aarde, Stunde Null voor iedereen: de Dood als de Grote Gelijkmaker en check dit: geen engel te bespeuren, maar ook geen Laatste Oordeel. de Dood komt ook voor de pelgrim, of die nu devoot is of niet, de Dood komt voor iedereen of zoals de geweldige Franstalig Vlaamse dichter Emile Verhaeren het ooit schreef: 'de dood is zat'.


Dus? de Dulle Griet in het midden? tussen hemel en aarde?

mmmnee, niet tussen... volgens mij slokt de Dulle Griet de Val van de Opstandige Engelen simpelweg op. bijna letterlijk zelfs: check het detail uit de Dulle Griet waar de vis een been opslokt. herkent ge het? dat is volgens mij het been van de aartsengel Michaël zelf. vergelijk de twee, check het gouden harnas van de aartsengel op de Val, kijk dan terug naar het detail waar de vis een gouden geharnast been opslokt.


Mensen, dit zijn geen gewone schilderijen.

ze zijn gemaakt voor een bijzondere man, bedacht en uitgevoerd door een bijzondere schilder die iets wilde duidelijk maken over het heden als Apocalyps.


Ze gaan over u en mij, ze gaan over het eeuwige nu.

ik ga iets onnozels doen. ik ga op dit medium proberen duidelijk te maken waarom de zestiende eeuw in deze streken op intellectueel vlak zo prikkelend en intrigerend voor mij is. ik moet het dan immers hebben over een leescultuur die wij nog nauwelijks kennen. ik moet het dan hebben over een 'fil rouge' in de geschiedenis van de letteren die voor een stedeling in een stad als Antwerpen evident was.


De scholingsgraad was immers indrukwekkend, zowel voor jongens als voor meisjes en dat kwam door de emanciperende kracht van de handel, zoals ik al eerder schreef. het was met andere woorden noodzakelijk om talen te beheersen, te kunnen rekenen en hier en daar wat meeklappen over de klassiekers. ik borstel nu vrij ruw, maar u snapt waar ik naartoe wil.


Ik denk dat alles begint bij Erasmus. wie Bruegel en zijn tijdgenoten wil begrijpen, moet ook nagaan wat de bestsellers van hun tijd waren. de Spreekwoorden van Erasmus waren op een bepaald moment het best verkochte boek na de Bijbel... waarom is Erasmus zo fantastisch? omdat hij met een grote intellectuele kracht aan zijn lezers duidelijk maakte dat de grote klassieke auteurs uit Griekenland en Rome rechtstreeks in contact staan met het leven van zijn eigen tijd. dat deed hij door spreekwoorden te ontleden die iedereen vaak gebruikte en vervolgens daar over duidelijk maken dat ook iemand als bijvoorbeeld Seneca soortgelijke wijsheid of zelfs bewoording gebruikt. Erasmus toont dus aan dat het verleden in feite een constructie is (mijn eigen interpretatie) en vooral: dat zijn tijdgenoten dezelfde arena van wijsheid kunnen betreden als die van Seneca, Ovidius, Plato en Homeros. de mens was drempelverlagend en ontroerend vanwege zijn eigen wijsheid.


Maar! hij was ook een groot satiricus zoals zijn Lof Der Zotheid aangeeft. satire was luim en ernst voor hem en dat gaat terug naar die oude combinatie van observeren én er de draak mee steken, van de stoïcijnen en de satirici... één energie. (ja, die is mij dierbaar... meer nog: dat is ook mijn traditie).


Dan komen we aan bij zijn tijdgenoot, de in alle opzichten indrukwekkende en raadselachtige Rabelais. zijn verhalen over de reuzen Gargantua en Pantagruel zijn ongebreidelde satire, maar tegelijk zitten er bijzonder veel verwijzingen in naar alchemie en occulte kennis. het is altijd de zot die de waarheid vertelt. Rabelais is zelf tot priester gewijd, maar diende vaak voor zijn leven te vrezen vanwege de ketterij die sommige overheden in zijn werk zagen. Rabelais en Erasmus waren vrijdenkers, ze hekelden de hypocrisie van de kerk en van priesters die niet al te zedelijk waren.


Een van hun voorlopers was Jean de Meung uit de dertiende eeuw. het was Guillaume de Lorris die de Roman van de Roos is beginnen dichten als een hoofs liefdesgedicht, maar het is Jean de Meung die veertig jaar later het roer overneemt en van de tekst een heftige, niets ontziende satire maakt waar het gedwongen celibaat wordt gehekeld, tirades over de autonome seksualiteit van de vrouw worden gelanceerd, en overspel voor zowel voor man als vrouw van aanmoedigende raad wordt voorzien. ook Jean de Meung is overigens een alchimist of weet er aardig wat van. deze dichters, filosofen en satirici waren niet voor één gat te vangen. de Roman van de Roos werd dus ook drie eeuwen later in de zestiende eeuw graag gelezen. De Meung heeft het daar trouwens al over de satirische grootmeester Juvenalis uit het einde van de eerste, begin van de tweede eeuw. De Meung citeert en becommentarieert een paar uitspraken van hem.


Ik vind het wonderlijk hoe die teksten al die eeuwen hebben overbrugd. en hoe fantastisch moet het geweest zijn in de zestiende eeuw dat er nog steeds teksten uit de Oudheid konden worden ontdekt, op dat moment komen bijvoorbeeld de Oude Grieken steeds meer in beeld...


Maar hier is dus de kick: satire van Juvenalis en Petronius (met zijn beroemde Satyricon) die rechtstreeks invloed hebben op mensen uit de zestiende eeuw, alsof het tijdgenoten zijn. en zoveel mensen die door die boekdrukkunst dat allemaal konden lezen, citeren, zich er door lieten inspireren. wat een weelde!


Denk nog eens aan die combinatie stoïcisme en satire, en dus aan de morele kracht van de spot.


En blader dan eens in een boek met werk van Bruegel....


Nog één ding: mensen vragen me vaak wie mijn voorbeelden zijn. maar niemand vraagt nog in welke traditie ik zit. ik voel me niet verwant aan de negentiende-eeuwse roman, aan Flaubert of aan de twintigste-eeuwse Nabokov of ergens tussen hen in. niet mijn ding. dit is mijn traditie: Petronius, Erasmus, Rabelais, Juvenalis, alles door elkaar qua tijd, maar allemaal morele satire. maar hoe legt ge dat uit aan mensen die dit niet kennen?


Jeroen Olyslaegers



Het was koud toen Van Gogh aankwam in Arles in Zuid-Frankrijk in 1888. De winter was bijna voorbij, maar overal lag nog sneeuw. Amandelbloesem bloeit vroeg in het voorjaar. Van Gogh maakte in zijn hotel twee kleine studies van deze amandeltak om vervolgens buiten een reeks schilderijen van bloeiende boomgaarden te maken.


Vincent van Gogh, Bloeiend amandeltakje in een glas (1888) #VanGoghindeNatuur



Bruegel leert ons kijken.


Ik herhaal het nog eens, omdat het ook bij mij tijd heeft nodig gehad om te beseffen wat dat écht betekent. Het is immers radicaal. Wordt het de blauwe of de rode pil? De blauwe betekent Bruegel zien als maker van schilderijen, deel uitmakend van de kunstgeschiedenis, hangend aan de muren van musea, opgesloten in een andere tijd. De rode pil is... een andere wereld. Eenmaal ge het hebt gezien, is er geen weg meer terug. Eenmaal ge hebt gevoeld dat hij een spel speelt, stapt ge door de spiegel en wordt alles raadselachtig en daarna is het kicken in een andere dimensie.


Wat ziet ge dan? Ge ziet bijvoorbeeld niet enkel Bruegel, maar een groep van opdrachtgevers, verzamelaars, schrijvers, drukkers, denkers en kooplieden rond hem die een milieu vormen waar eruditie, kennis van Erasmus en de klassieken, een zotternij over raadsels, speelsheid en vriendschap als na te streven goed, heersen. We zien een spel tussen opdrachtgever en schilder, we zien mogelijke plagerijen: dubbele bodems, verborgen boodschappen, wijze waarheden en inzichten, geleid door het oog. Soms heeft de opdrachtgever het allicht door, soms allicht niet. En dit gebeurt allemaal tijdens zeer moeilijke tijden van toenemende spanningen, polarisering, religieuze radicalisering, kloof tussen geloof en praktijk, tussen de wetten van de handel en de wetten van God, tussen spel en waarheid, tussen hypocrisie en devotie.


Kijken. En dan blijven kijken.


Op het eerste zicht is de Strijd tussen Vasten en Vastanavond een werk waar de polarisering heerst. Centraal onderaan wordt er een amechtig gevecht getoond tussen de Vetten en de Mageren, tussen vreten en vasten, zuipen en bidden, tussen Kust-Mijn-Kloten en Bid-voor-ons-Zondaars. Maar is het wel een gevecht? Het lijkt meer op theater, doen alsof. En er wordt niet gekozen. De devotie aan de rechterkant lijkt op sterven na dood, en de vreetzucht aan de linker lijkt een attaque nabij. Geen van hen gezond. Geen van hen aantrekkelijk. De tegenstelling leidt onze eerste blik. We kijken naar het gewemel van onze menselijke soort. De ene kant zo en de andere kant zus. Maar er klopt iets niet. De dingen lopen door elkaar. Er wordt overal theater gespeeld, zowel door de devote mensen als door de feestende soort.


Ge kijkt nog eens, voorbij de tegenstelling. Ge kijkt letterlijk naar het midden van het schilderij. En daar ziet ge een koppel, een eenheid van man een vrouw. Een nar loopt hen wat schuin voor de voeten, maar hun pad is duidelijk: van ons weg en naar het midden, onverstoorbaar, geen performance, eerlijker dan wie ook, juist omdat we alleen hun rug zien. Dat is al heel straf, dat het afwenden, het keren van de rug de eerlijkheid wordt, een teken van de waarheid. En wat is dat?


Dat de waarheid zich letterlijk in het midden bevindt... Enig idee hoe radicaal dit is? Hoe confronterend ook? Hoe zeer dit devotie én zuipernij in vraag stelt tijdens tijden van toenemende intolerantie, gelijkhebberij, religieuze snoeverij, hypocrisie?


Vorige week is kunsthistorica Tine Meganck op vraag van Stef en van mij uitgebreid ingegaan op de Volkstelling. Ze heeft een boek uit over de Winterlandschappen van Bruegel en die ga ik zo snel mogelijk lezen, want dat lijkt me toplectuur. Ook daar legt ze de nadruk op de tegenstelling waarrond het doek is opgebouwd. Bruegel is hier subtieler, maar het kan ook dat wij hier meer uitleg behoeven dan zijn tijdgenoten. Linksonder vooraan zien we een herberg waar mensen geld betalen, zowel rijk als arm. Tine legde uit dat het in feite gaat over een som betalen zodat ge bij het ware geloof hoorde (er zijn andere interpretaties die meer in de richting gaan van een aanklacht tegen corruptie of tegen de Habsburgers).


Dit is volgens haar de goede kant. Het is ook de kant waar Jozef en Maria naar bewegen. Rechts, meer naar het midden en wat meer dus in de diepte zien we een dode boom waarin een herberg huist, teken van het kwade. Vlak in de buurt, wat meer vooraan zien we de vervallen hut van een melaatse en we zien iemand achter die hut iemand groenten pikken uit de moestuin. Aan die kant heerst dus de ziekte en moreel verderf. En het lijkt duidelijk: Maria en Jozef kiezen uiteraard de goede kant van het publiek belijden van hun geloof.


Nee dus.

Ge blijft kijken.

Ge kijkt dus nog eens, voorbij de tegenstelling.

Ge kijkt helemaal rechts, vooraan.


En ge ziet plots twee van de meest onopvallende raadselachtige figuren die Bruegel ooit heeft geschilderd.

Een man en een vrouw, zéér verwant aan het koppel centraal in de Strijd tussen Vasten en Vastenavond. Ze lopen behoedzaam over het ijs in een diagonaal, richting ondergaande zon en vooral: tussen beide kanten, zonder naar de een of de ander uit te wijken.

En nog straffer: de man draagt het kind. En de vrouw? Die draagt een zwaard...


Dit, lieve vrienden en vriendinnen, zijn voor mij de echte Jozef en Maria. Ze zijn incognito, beantwoorden niet aan het cliché, integendeel: ze draaien alle verwachtingspatronen binnenstebuiten. En ze bewandelen het middenpad.


Als ge nu nog steeds niet bevangen geraakt door het raadselachtige spel dat Bruegel speelt, dan rest u nog slechts één optie:

Blijf kijken.


Het is gewoon een kwestie van tijd.

En het raadsel vreet u op.


Leve Bruegel.


Jeroen Olyslaegers



When Vincent was staying in Saint-Remy-de-Provence, he made 75 paintings in 70 days! He drew a great deal of inspiration from the large garden around Saint-Rémy where he had himself admitted in 1889. The fall just began when he made this painting. Vincent van Gogh, Saint-Rémy-de-Provence, October (1889) collection Kröller-Müller Museum


Ik zit op de trein van Stuttgart richting Amsterdam. vanmorgen, op weg naar de Hauptbahnhof van Stuttgart, liep ik door een oud kerkhof dat nu een park is en waar de negentiende eeuw lijkt begraven: veel compleet vergeten officieren uit de tijd van Bismarck, de een majoor, de ander kapitein. vlak naast die plek staat er een speeltuintje, met een of twee klimtuigen en wat schommels.


'Holy shit', dacht ik ineens, 'Bruegel!'


Gisteren sprak ik over het spel dat Bruegel speelt en de wijsheid die hij regelmatig impliceert over het bewandelen van het middenpad. ik sprak ook over hoe hij onze blik leidt en hoe raadselachtig dat kan worden als ge blijft kijken.


Maar het overkomt me ook dat mijn ogen maar blijven gaan over sommigen van zijn werken zonder dat ik een organiserend principe zie. werken zoals zijn Spreekwoorden of zijn Kinderspelen laten zich immers lezen als een beredeneerde catalogus, een uitputtend overzicht van een bepaald onderwerp.


In zijn recente interviewboek 'The Image Revisited' noemt Luc Tuymans dat verzamelen van Bruegel 'fetisjistisch', en dat kan ik op zekere hoogte volgen, want er valt zeker een drang te bespeuren om 'alles' te tonen wat bijvoorbeeld spreekwoorden of kinderspelen betreft, alsof hij meteen alles wilt hebben gezegd over dat onderwerp via verf. maar dat lijkt me nog maar het begin, eerlijk gezegd... binnen die veelheid die het oog zoveel geeft en de geest doet gissen naar de naam van het spel of het spreekwoord dat wordt uitgedrukt, zit ook dat ene, ofwel: iets dat opvallend onopvallend is. uit kijkervaring weet ik dat dit altijd het geval is bij Bruegel. soms moet je binnen de chaos zelf zoeken en wordt je blik door hem nu eens niet geleid. maar geen nood: wie zoekt, die vindt, en wie iets vindt bij Bruegel, begint te rillen en daarna na te denken.


In het geval van de Kinderspelen vond ik iets aan de linkerrand, net onder het midden. vanuit een raam op een hogere etage houdt een kind een masker voor zich en kijkt zo over heel het schouwspel dat wij ook zien, maar dan letterlijk vanuit de zijkant, als een nepvolwassene. uiteraard speelt hij een spel, maar de ontmenselijking van een masker heeft altijd een dreiging. het boort ook diepere lagen aan wat een spel is. de kinderen zijn niet bewust van het schouwspel dat ze veroorzaken voor onze ogen, maar dit gemaskerd kind speelt een spel én kijkt toe.


Ik ben ervan overtuigd dat Bruegel zijn werken met elkaar wilde laten praten, dat hij beeldrijmen gebruikte op een dieper inzicht in de menselijke soort en ons gedwongen leven op deze planeet kracht wilde bij zetten door citaten, contrasten, en een herhaling van perspectieven. dat maakt hem bijna een autonome kunstenaar die soms schijnbaar onafhankelijk zijn werk maakt. dat klopt natuurlijk niet. Bruegel werkte waarschijnlijk altijd in opdracht. hij had wel geen atelier met verschillende assistenten, wat toen echt uitzonderlijk was. wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat elke penseelstreek die we zien van de meester zelf is. dat is bijvoorbeeld bij Rubens ondenkbaar, maar ook populaire tijdgenoten van Bruegel hadden meestal assistenten die het doek mee uitwerkten.


Wat we wél weten van Bruegel is dat zijn vriend Abraham Ortelius, kunstverkoper, verzamelaar en cartograaf, hem bijvoorbeeld inhoudelijk bijstond bij het maken van zijn Dood van Maria, als een soort van spirituele dramaturg, maar dat werk was wel voor Ortelius zelf. Tine Meganck legt dat mooi uit in haar boek over de vriendschappen van Ortelius, Erudite Eyes. wie weten dus dat hij er open voor stond om te converseren met zijn opdrachtgevers en dat er in zekere zin ruimte ontstond voor een inhoudelijke samenwerking, maar buiten de samenwerking van Ortelius hebben we daar geen bewijzen van.


Dat brengt mij bij deze vraag: wie, in hemelsnaam, heeft de Triomf van de Dood, besteld? geen klassieke katholiek, want er is geen spoor van het Laatste Oordeel te bespeuren terwijl de dood zijn gang kan gaan. hemel of hel? niet te vinden hier. het maakt allemaal niet uit, de dood komt voor zondaar en heilige. dit schilderij is daarom op de rand van het godslasterlijke en gaat in tegen de religieuze dogma's van zowel de katholieken als de protestanten. ik zeg dat nu veel te breed, uiteraard. maar hier heerst iets dat niet tot het religieuze kan worden herleid, of toch niet louter tot het religieuze. mocht ik willen gokken, zou ik durven te stellen dat dit schilderij door een stoïcijn werd besteld, of een neo-stoïcijn, een aanhanger van een leer of eerder: een levenshouding die zeker in de Lage Landen in de zestiende eeuw en in de zeventiende eeuw belangrijk was. Epictetus, Seneca, Marcus Aurelius en verder in de tijd: Herakleitos, Zeno of Poseidonius... er zijn er velen en vooral Seneca werd gretig gelezen. Seneca pleit voor afstand, voor het leven te beschouwen als een schouwpel. Epictetus zou daar 'spel' van maken. ja, het is dat: een spel, misschien met hoge inzet, en op het einde komt de dood.


Nu komen de Triomf van de Dood dichter bij de Kinderspelen, niet? en daarom kreeg ik vanmorgen zo'n schokje toen ik die speeltuin naast die begraafplaats zag.


En nu wordt het nog straffer, Bruegelvrienden.

uiterst links van de Kinderspelen zien we een gemaskerd kind. uiterst rechts van de Triomf van de Dood zien we een gemaskerd skelet... gemaskerd? waarom hier, verdorie? heel dit schilderij is één ontmaskering. laat dit zien aan een kind en die weet meteen waar het om gaat, geen uitleg nodig: de dood wint en het is recht in uw gezicht.

dat masker is een beeldrijm, stel ik voor.


Het gemaskerd kind en de gemaskerde handlanger van de dood, de een links aan het beginpunt a. de ander rechts, eindpunt b. maar het is geen lijn van a naar b, het is een cirkel. ze vallen samen: het gemaskerd kind en het gemaskerd skelet zijn een.


De cirkel is dus rond... en wie tracht zich achter het gemaskerd skelet wanhopig te verstoppen in de hoop dat de dood hem niet vindt? de nar... speler bij uitstek en in de tarot het nulpunt, begin van alles. kijk ook naar de speelkaarten... Bruegel gooit met hints.


Duizelingwekkend spel met grote inzet.

dat speelt Bruegel en dat spelen wij, dagelijks... ook al kennen wij de afloop.


Jeroen Olyslaegers


SiteLock