Daraudoux


De man van Daraudoux


Edegem met een hart



Op 5 juli 1944 roeide een afdeling van de SS het Franse dorp Oradour volledig uit.  Mannen, vrouwen en kinderen werden in een alles vernietigende terreur koelbloedig vermoord.


Na de oorlog werd het dorp geklasseerd, als schrijnend en blijvend getuigenis van de onmenselijke oorlogswaanzin.

Dit nooit meer.


Eens te meer werd toen de droom gekoesterd, een Belgie, een Europa, een wereld zonder oorlog te scheppen.  Dit was de allerlaatste oorlog geweest die eens en voorgoed gedaan had moeten maken met gruwel en geweld.


Intussen weten we beter.

Vietnam, Cambodja, Irak, Bosnie, Servie, Somalie ...

Fachisme, Neo - Nazi's, Eigen volk eerst. 

De geschiedenis herhaalt zich eindeloos weer.


Nu zoveel jaren later rijst dan ook opnieuw de vraag:


Moesten de miljoenen doden uit de koncentratiekampen één ogenblik kunnen terugkomen em zien wat ... wat er van die betere wereld zonder oorlog en geweld geworden is .... en als er nu eens één man uit het bloedbad van Oradour ontsnapt was, hoe zou dan die man staan tegenover de wereld van vandaag, de wereld van de gemiste kansen?


Misschien niet "het" antwoord maar dan toch een antwoord geeft "De man van Daraudoux".


Decor:


Een lange tafel, met een groen laken bedekt.

Daarachter enkele stoelen, achteloos verschoven.

Links en rechts een palmboompje.

Op de tafel een karaf water en een glas.

Achter het toneel klinkt marsmuziek van een zich verwijderende fanfare.


De man van Daraudoux komt links op, aarzelend.

Hij draagt een alpenmuts.

Op zijn borst prijkt een medaille met een geel lint.

Hij blijft staan, kijkt in de richting van de fanfare,

komt dan enkele stappen dichterbij.


Ze zijn weg, allemaal zijn ze weg ....


(zijn ogen speuren de hele zaal af)


Allemaal zijn ze ....


(Hij kijkt plots starend naar één punt achter in de

zaal, rekt zijn hals om nog beter te kunnen zien)


Verdorie, daar staat toch nog iemand ....

oppassen is dus de boodschap ....


(Hij brengt schutterig een militaire groet)


Mijnheer de Minister   ...

Mijnheer de Gouverneur ...

Mijnheer de ...     

(hij steekt zijn hoofd vooruit)

Mijnheer de ...

(even stilte)

Neen, er is niemand meer ...

mijn ogen worden slechter.


(de marsmuziek is nu nog amper hoorbaar, sterft

tenslotte helemaal uit)


Ze moeten al een eind weg zijn,

ze zullen nu wel niet meer terugkomen .....   

(hij kijkt nog eens om)

voor volgend jaar.


Nu ze weg zijn kan ik eindelijk vrijuit met ze praten ....

zonder papiertje .... want dat hadden ze mij gevraagd, de burgemeester, de pastoor, de schoolmeester ..... dat ik hun papiertje zou aflezen.

Dat vragen ze me elk jaar om deze tijd.


(Hij doet enkele passen in de richting van de afel,wendt zich dan weer tot de zaal)

Ja, nu kan ik met ze spreken,

ik heb dat van kleinsaf gekund,

spreken met mensen die er niet zijn.


Gemakkelijk is dat niet, niet iedereen kan dat ... neen,

denk vooral niet dat het gemakkelijk is,

maar ik ... ik kan het.

God, wat heb ik ze er vanlangs gegeven ! .....


"Ga konijnevoer snijden", zei mijn grootvader,

"ik geef jou niet voor niets te eten, bastaard", zei hij.


En hij wierp mij een zak en een sikkel toe en telkens als hij erg naar wijn rook wou hij me ook een schop voor de broek geven, maar negen op tien keer was ik hem te vlug af.


"Zak helemaal vol", zei hij ...

"en kom niet alleen met gras thuis".

Ik was toen amper zes jaar, ik was pas op school.


Ik liep het dorp uit, op zoek naar paardebloemen, naar klaver en naar melde.  Ik kroop op mijn knieen voort over de bermen, en almaar door gaf ik grootvader zijn vet.


Telkens als ik mijn sikkel door het groen joeg zei ik tegen hem:

"Lelijke oude zatlap!"

En als ik moe werd zei ik ook nog:

"Je hebt geluk dat ik geen vader heb, anders zou ik hem alles gaan vertellen!"


Ja toen is dat begonnen, dat spreken tegen afwezigen.

Zelfs tegen mijn moeder zei ik zelden wat waar ze bij was: 

ik was bang voor haar, ik had haar nooit zien lachen.


Alleen grootmoe ... grootmoe ... die blafte nooit tegen me.

"Manneke", zei ze eens tegen mij, "jij hebt toch ook niet gevraagd om er te zijn", en ze drukte me even tegen haar boezeroen, die stonk naar de vaat.

Grootmoeder was de enige mens op de boerderij waar ik naar luisterde ... de enige mens op de hele wereld waar ik naar luisterde, want ook op school en in het dorp deden ze lelijk tegen mij.

Maar ik heb ze allemaal, allemaal gezegd wat ik op het hart had .... als ik alleen was.


(hij gaat nu tot bij de tafel)


Maar met grootmoe kon ik praten waar ze bij was ... en ik heb altijd gedaan wat ze zei ...


Ja grootmoe heb ik altijd gehoorzaamd, ook toen ze het over die soldaten gad.


"Manneke", zei ze, "het is oorlog.  Ze zijn in ons land, de soldaten van de duivel.  Ze zijn nog niet in ons dorp geweest, maar als je ze ooit te zien krijgt, aarzel dan geen minuut:

maak je uit de voeten en stop je weg in een hol diep in het bos en kom er niet meer uit voor ze weg zijn.....

Goed verstaan manneke?"....


"Ja, grootmoe", zie ik.


"Je kan ze gemakkelijk herkennen", zei ze, "ze zijn helemaal in 't grijs gekleed" ...


"Ja grootmoe", zei ik.


(hij kijkt naar de tafel, gaat achter de middelste stoel staan.)


Hier zat de burgemeester,

hij zat de plechtigheid voor, hij doet dat elk jaar.


(hij gaat achter de stoel, links van die van de burgemeester staan)


En hier zat ik ... dat is de ereplaats, zei de burrgemeester.

En daar zat Mijnheer de Minister, en daar mijnheer de Gouverneur, en daar mijnheer Pastoor en daar ... die heren ken ik niet, maar het waren er ook hoge.


Hier zat mijnheer de burgemeester .... zo ...


(hij gaat zitten, brreduit, zelfgenoegzaam, op de stoel van de burgemeester.  Hij mimeert wat hij deze tevoren in werkleijkheid heeft zien doen:  hij kijkt voldaan de zaal in, groet met een genadig hoofdknikje een paar kennissen, haalt een neusdoek uit zijn borstzak, wrijft zijn voorhoofd en zijn nek droog, staat op, schraapt zijn keel, krijgt een vel papier uit zijn binnenzak, vouwt het open, schraapt weer zijn keel)


Mijnheer de Minister,

Mijnheer de Consul,

Mijnheer de Gouverneur,

Mijnheer de ... de ...,

Dames en Heren, Geachte aanwezigen ....

Als burgemeester van deze kleine gemeente valt mij de eer te beurt U allen ....

bla, bla bla ...


(hij spreekt verder met pathetisch woord - en zinsaksent, zonder echter verstaanbare woorden uit te spreken)


Bla bla bla bla bla, bla bla bla bla ...


(Plots barst donderend applaus los.  Hij kijkt triomfantelijk rond, drinkt een slok water, heft tenslotte bezwerend de hand op.  De stilt valt in.  Hij spreekt nu zacht verder, met trillende stem, alsof de ontroering hem te machtig wordt.)


Bla bla bla bla bla bla,

om samen met ons de nagedachtenis te eren van de slachtoffers van een der gruwelijkste oorlogsmisdaden uit de jongste oorlogsbrand.

Bla bla bla bla bla.

En, mijn waarde medeburgers, en zoals u allen weet dankt onze gemeente de eer deze herdenking te mogen inrichten aan de omstandigheid .... dat de enige overlevende van dit ... van dit schandelijke bloedbad ...  dat de laatste man van het nooit meer wederopgebouwde Daradoux, op het grondgebied van onze gemeente een onderkomen vond.


Hier zit hij, ons aller vriend Jean Dupont


(oorverdovend applaus. Vlug gaat de man op zijn eigen stoel zitten, staat op, dankt met enkele onhandige buiginkjes naar links en rechts, gaat weer zitten, staat weer op, buigt weer, gaat weer zitten en gaat tenslotte, nadat het applaus uitgestorven is, weer voor de stoel van de burgemeester staan)


Ons aller vriend Jean Dupont, de laatse man van Daradoux .... Daradoux, onvergetleijke naam.

5 juli 1944 .... onvergetelijke datum.

Beide drukken ze voor eeuwig ... drukken ze voor eeuwig ....

op het menselijk geweten.

In en paar uren tijd viel de gehele bevolking ten prooi aan de blinde moordwoede van een ... van een razende horde:

Al de volwassenen, zowel vrouwen als mannen werden genadeloos gemitrailleerd.

Al de kinderen werden samengdreven in de kerk, die in brand gestoken werd ... Al die onschuldige bloedjes vonden daar een verschrikkelijke dood, behalve één:

onze vriend Jean Dupont, hier aanwezig.


(applaus)


Reeds als zevenjarig kind verenigde hij in zich al de ... al de glorieuze eigenschappen die ons volk groot gemaakt hebben:

moed, zin voor initiatief, intelligentie.


(applaus)


Eigenschappen waaraan hij tenslotte zijn redding zou te danken hebben, waarde medeburgers.


(donderend applaus.  De man neemt weer zijn eigen plaats in.)


Niet waar, niet waar .... ik was alleen maar bang, vreselijk bang, de schrik heeft mij gered ...


(Hij legt zijn voorhoofd in zijn beide       handen, wrijft over zijn ogen, over zijn    gelaat)


Ik sneed konijnenvoer langs de rivier, buiten het dorp.

De zon stond hoog, ze brandde in mijn nek.  Ik knabbelde aan een boterraapje. Dat had ik van grootmoeder gekregen, omdat ik die dag verjaarde ... zeven jaar werd ik.

Plots hoorde ik in de verte gerommel.

Onweer dacht ik .... Dat zou wel kunnen, ze riepen in het dorp al lang op onweer, regen zou welkom zijn, de velden barstten van de droogte.

Nee, geen onweer  ... dat gerommel is geen donder ...

Ik stak mijn hoofd boven de berm uit en ik zag ze.

Kamions vol soldaten, soldaten in 't grijs !!!!


Grootmoe!  Grootmoe!!  Grootmoe!!!


"Manneke het is oorlog.  Ze zijn in ons land, de soldaten van de duivel.  Ze zijn nog niet in ons dorp geweest ...."

Maar nu waren ze daar, ze reden recht op ons dorp af!


Grootmoe!  Grootmoe!!  Grootmoe!!!


"Maar als je ze ooit te zien krijgt, aarzel dan geen minuut ... maak je uit de voeten en stop je weg in een hol diep in het bos en kom er niet meer uit voor ze weg zijn. Goed verstaan manneke?"


"Ja Grootmoe".


"Je kan ze gemakkelijk herkennen, ze zijn helemaal in 't grijs gekleed".


Grootmoe!  Grootmoe!!  Grootmoe!!!


Ik liep, liep, liep ....

Ik struikelde en rolde de berm af.

Ik had nooit leren zwemmen, maar ik geraakte de rivier over, en dan maar weer lopen, lopen, lopen....

Weg, weg van de soldaten, weg, weg, weg, weg, weg!

Ik ben door een haag gekropen, heb mijn hoofd gestoten, ben gevallen, blijven liggen.

Ik kwam weer bij, ik hoorde schieten, ik hoorde schreeuwen ....

Even stak ik mijn hoofd boven de haag .... het dorp stond in brand.

En dan weer lopen, lopen, lopen ....


(Hij staart voor zich uit, even stilte.  Dan   gaat hij weer de plaats van de burgemeester   innemen)


Maar, mijn waarde medeburgers, de heldenmoed van de kleine Jean Dupont en het offer van zijn afgeslachte dorpsgenoten zouden tevergeefs zijn geweest als wij niet de gepaste les wisten te trekken uit het martelaarschap van Daraudoux.


Elke oorlogsverdwazing drukt de mens steeds dieper ... dieper in de poel van onmenselijkheid.


Als zovele andere ... als zovele andere is ook de tragedie van Daraudoux ontstaan uit de vijandschap die eeuwenlang twee grote buurvolkeren tegen elkaar heeft opgezet.


Bla bla bla ...

Bezinning .... het uur der bezinning heeft geslagen.

Bla bla bla ...

Nu grote gevaren ons oude kontinent bedreigen.

Bla bla bla ...

Verenigd, hand in hand met onze gewezen vijanden, nu onze vrienden, bla bla bla ...


(Applaus)


En hij, die zolang geleden aan dat festijn van de haat wist te ontsnappen, hij zal nu het symbool worden van de verzoening van onze beide volkeren.


Ja mijn waarde medeburgers, ik heb U allen en Jean Dupont in het bijzonder een verrassing voorbehouden.


De Consul die ik daarstraks begroette, is niemand minder dan de vertegenwoordiger van het volk dat eens onze erfvijand was.

Hij komt hier getuigen voor de wil tot vergeven en verzoenen die ook zijn volk bezielt.


Zijn landgenoten spuwen de moordenaars uit die onder hen waren en die Daraudoux op hun geweten hebben, zij delen in onze rouw.

Net als wij voelen zij, weten zij ... dat bla bla bla ...

En als schadeloosstelling, als symbolische schadeloosstelling bieden zij onze medeburger Jean Dupont een betrekking naar keuze aan, in een van de Europese instellingen die thans mee vorm geven aan onze vernieuwde eenheid.

De betekenis van dit edel gebaar kan door niemand overschat worden, ook niet door Jean Dupont zelf.

Sinds vele jaren al is hij werkloos ten gevolge van ... van een betreurenswaardig gebrek aan aanpassingsvermogen, dat dan weer het gevolg is van de gruwelijke ervaringen die hij in zijn prille jeugd heeft moeten opdoen.

Maar nu zal hij vrij kunnen kiezen uit een rijke verscheidenheid aan mogelijkheden.

Op de drempel van het nieuwe Europa zal hij een nieuw mens worden.

(Applaus)


Ik verleen nu het woord aan ons aller vriend Jean Dupont.


(hij gaat weer op zijn eigen stoel zitten,  kijkt schichtig om zich heen, staat bruusk   op, loopt - af en toe omkijkend - weg. 
Dan komt hij weer op zoals in het begin: van links, aarzelend.  Hij gaat tenslotte helemaal vooraan op het toneel staan)


Elk jaar heb ik mijn papiertje afgelezen.

Ook nu zou ik dat gedaan hebben, een mens mag de hoge heren niet ontstemmen als hij van de Openbare Onderstand afhangt.


Elk jaar was het hetzelfde, dat papiertje,

maar dit jaar was het anders ...

En toch kende ik het haast van buiten:

vijanden van gisteren ... nu broederlijk verenigd ...

samenwerkend aan de afweringsmacht die de vijanden van vrede en vrijheid zal afschrikken ....


Ja, ik zou het afgelezen hebben.


Maar toen de burgemeester dat zei van die Consul, toen bekeek ik die man.  Hij was in het zwart, maar plots zag ik hem in het grijs, in het grijs van Daraudoux.

Ik kneep mijn ogen dicht, maar toen ik ze weer opende stond hij daar nog altijd in het grijs, en hij niet alleen, er stonden er nog .... er stonden er nog in het grijs, mannen van bij ons ... in het grijs, daar ... en daar ... en daar ... in het grijs!


Grootmoe!  Grootmoe!  Grootmoe!!!

Ik maakte me uit de voeten.

De schoolmeester wilde me tegenhouden, hij greep me bij de mouw van mijn jas.


"Gedraag je niet als een dorpsidioot", zei hij,

"ook al ben je dat dan".

Hij had immers mijn mooi papiertje volgeschreven,

hij wilde het graag horen.


Maar ik rukte me los ...

Ik liep het dorp uit tot bij de rivier.

Daar ben ik in het gras blijven liggen,

ik kan nog altijd niet zwemmen.


Ik zag jullie allemaal opstappen, achter de fanfare aan, het dorp uit, de brug over.

En toen jullie allemaal wegwaren, toen ben ik terug naar Daraudoux gekomen om jullie te zeggen dat ik niet meer meedoe:

ik zal in geen enkele van jullie optochten meer mee opstappen, ik zal geen enkel papiertje meer voor jullie aflezen.


(hij kijkt schichtig om zich heen)


Ik ben bang ...

Net als toen heb ik grijs gezien voor jullie er erg in hadden,

Net als toen zal ik doen wat grootmoe me gezegd heeft,

net als toen maak ik me uit de voeten,

net als toen zal mijn angst mijn redding zijn ...

terwijl jullie ...


(hij schudt langzaam, meewarig het hoofd)


Jullie ..


(hij lijkt plots erg vermoeid. Hij sjokt naar  de tafel toe, gaat bij zijn stoel staan.)


Laat mij me gedragen als de dorpsidioot, alsjeblieft ...


Ik kan nog slikken, eten en drinken ...

ik beleef daar plezier aan.

Ik voel mijn maag af en toe oprispen ...

ik beleef daar plezier aan.

Mijn darmen en mijn blaas werken normaal ...

ik beleef daar plezier aan.

Af en toe moet ik wel voelen dat ik een man ben ...

ik beleef daar plezier aan.

Af en toe brandt de zon op mijn kop ...

ik beleef daar plezier aan.

Af en toe pletst de regen in mijn nek ...

ik beleef daar plezier aan.


Laat me dit plezier, hou me niet tegen, schoolmeester:

ik weet wat jullie boven het hoofd hangt, ik wil het niet meer meemaken.

Ik maak me uit de voeten.


(Hij trekt de medaille van zijn jas, neemt zijn baret af, wikkelt er de medaille in, bekijkt ze nog eens even en legt dan de baret en de  medaille op de tafel, voor de stoel van de burgemeester.  Dan neemt hij zijn redevoering uit zijn binnenzak en legt die ook op de tafel)


Adieu ....


(Toneel volledig in het donker)