Interviews 2018


Interviews - Columns - Reportages - 2018



Top


Universele mensenrechten vieren 70e verjaardag.

Hoe relevant zijn ze nog vandaag?

Philippe Kerckaert - vrt NWS


UNIVERSELE VERKLARING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS


Preambule


  • Overwegende, dat erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld;
  • Overwegende, dat terzijdestelling van en minachting voor de rechten van de mens geleid hebben tot barbaarse handelingen, die het geweten van de mensheid geweld hebben aangedaan en dat de komst van een wereld, waarin de mensen vrijheid van meningsuiting en geloof zullen genieten, en vrij zullen zijn van vrees en gebrek, is verkondigd als het hoogste ideaal van iedere mens;
  • Overwegende, dat het van het grootste belang is, dat de rechten van de mens beschermd worden door de suprematie van het recht, opdat de mens niet gedwongen worde om in laatste instantie zijn toevlucht te nemen tot opstand tegen tyrannie en onderdrukking;
  • Overwegende, dat het van het grootste belang is om de ontwikkeling van vriendschappelijke betrekkingen tussen de naties te bevorderen;
  • Overwegende, dat de volkeren van de Verenigde Naties in het Handvest hun vertrouwen in de fundamentele rechten van de mens, in de waardigheid en de waarde van de mens en in de gelijke rechten van mannen en vrouwen opnieuw hebben bevestigd, en besloten hebben om sociale vooruitgang en een hogere levensstandaard in groter vrijheid te bevorderen;
  • Overwegende, dat de Staten, welke Lid zijn van de Verenigde Naties, zich plechtig verbonden hebben om, in samenwerking met de Organisatie van de Verenigde Naties, overal de eerbied voor en inachtneming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te bevorderen;
  • Overwegende, dat het van het grootste belang is voor de volledige nakoming van deze verbintenis, dat een ieder begrip hebbe voor deze rechten en vrijheden;


  • Op grond daarvan proclameert de Algemene Vergadering deze Universele Verklaring van de Rechten van de Mens als het gemeenschappelijk door alle volkeren en alle naties te bereiken ideaal, opdat ieder individu en elk orgaan van de gemeenschap, met deze verklaring voortdurend voor ogen, er naar zal streven door onderwijs en opvoeding de eerbied voor deze rechten en vrijheden te bevorderen, en door vooruitstrevende maatregelen, op nationaal en internationaal terrein, deze rechten algemeen en daadwerkelijk te doen erkennen en toepassen, zowel onder de volkeren van Staten die Lid van de Verenigde Naties zijn, zelf, als onder de volkeren van gebieden, die onder hun jurisdictie staan:


Artikel 1

  1. Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.


Artikel 2

  1. Een ieder heeft aanspraak op alle rechten en vrijheden, in deze Verklaring opgesomd, zonder enig onderscheid van welke aard ook, zoals ras, kleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status. Verder zal geen onderscheid worden gemaakt naar de politieke, juridische of internationale status van het land of gebied, waartoe iemand behoort, onverschillig of het een onafhankelijk, trust-, of niet-zelfbesturend gebied betreft, dan wel of er een andere beperking van de soevereiniteit bestaat.


Artikel 3

  1. Een ieder heeft het recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon.


Artikel 4

  1. Niemand zal in slavernij of horigheid gehouden worden. Slavernij en slavenhandel in iedere vorm zijn verboden.


Artikel 5

  1. Niemand zal onderworpen worden aan folteringen, noch aan een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.


Artikel 6

  1. Een ieder heeft, waar hij zich ook bevindt, het recht als persoon erkend te worden voor de wet.


Artikel 7

  1. Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder onderscheid aanspraak op gelijke bescherming door de wet. Allen hebben aanspraak op gelijke bescherming tegen iedere achterstelling in strijd met deze Verklaring en tegen iedere ophitsing tot een dergelijke achterstelling.


Artikel 8

  1. Een ieder heeft recht op daadwerkelijke rechtshulp van bevoegde nationale rechterlijke instanties tegen handelingen, welke in strijd zijn met de grondrechten hem toegekend bij Grondwet of wet.


Artikel 9

  1. Niemand zal onderworpen worden aan willekeurige arrestatie, detentie of verbanning.


Artikel 10

  1. Een ieder heeft, in volle gelijkheid, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie bij het vaststellen van zijn rechten en verplichtingen en bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging.


Artikel 11

  1. Een ieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft er recht op voor onschuldig gehouden te worden, totdat zijn schuld krachtens de wet bewezen wordt in een openbare rechtszitting, waarbij hem alle waarborgen, nodig voor zijn verdediging, zijn toegekend.
  2. Niemand zal voor schuldig gehouden worden aan enig strafrechtelijk vergrijp op grond van enige handeling of enig verzuim, welke naar nationaal of internationaal recht geen strafrechtelijk vergrijp betekenden op het tijdstip, waarop de handeling of het verzuim begaan werd. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die, welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.


Artikel 12

  1. Niemand zal onderworpen worden aan willekeurige inmenging in zijn persoonlijke aangelegenheden, in zijn gezin, zijn tehuis of zijn briefwisseling, noch aan enige aantasting van zijn eer of goede naam. Tegen een dergelijke inmenging of aantasting heeft een ieder recht op bescherming door de wet.


Artikel 13

  1. Een ieder heeft het recht zich vrijelijk te verplaatsen en te vertoeven binnen de grenzen van elke Staat.
  2. Een ieder heeft het recht welk land ook, met inbegrip van het zijne, te verlaten en naar zijn land terug te keren.


Artikel 14

  1. Een ieder heeft het recht om in andere landen asiel te zoeken en te genieten tegen vervolging.
  2. Op dit recht kan geen beroep worden gedaan ingeval van strafvervolgingen wegens misdrijven van niet-politieke aard of handelingen in strijd met de doeleinden en beginselen van de Verenigde Naties.


Artikel 15

  1. Een ieder heeft het recht op een nationaliteit.
  2. Aan niemand mag willekeurig zijn nationaliteit worden ontnomen, noch het recht worden ontzegd om van nationaliteit te veranderen.


Artikel 16

  1. Zonder enige beperking op grond van ras, nationaliteit of godsdienst, hebben mannen en vrouwen van huwbare leeftijd het recht om te huwen en een gezin te stichten. Zij hebben gelijke rechten wat het huwelijk betreft, tijdens het huwelijk en bij de ontbinding ervan.
  2. Een huwelijk kan slechts worden gesloten met de vrije en volledige toestemming van de aanstaande echtgenoten.
  3. Het gezin is de natuurlijke en fundamentele groepseenheid van de maatschappij en heeft recht op bescherming door de maatschappij en de Staat.


Artikel 17

  1. Een ieder heeft recht op eigendom, hetzij alleen, hetzij tezamen met anderen.
  2. Niemand mag willekeurig van zijn eigendom worden beroofd.


Artikel 18

  1. Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst;dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door hetonderwijzen ervan, door de praktische toepassing, door eredienst en de inachtneming van de geboden en voorschriften.


Artikel 19

  1. Een ieder heeft recht op vrijheid van mening en meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid om zonder inmenging een mening te koesteren en om door alle middelen en ongeacht grenzen inlichtingen en denkbeelden op te sporen, te ontvangen en door te geven.


Artikel 20

  1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering.
  2. Niemand mag worden gedwongen om tot een vereniging te behoren.


Artikel 21

  1. Een ieder heeft het recht om deel te nemen aan het bestuur van zijn land, rechtstreeks of door middel van vrij gekozen vertegenwoordigers.
  2. Een ieder heeft het recht om op voet van gelijkheid te worden toegelaten tot de overheidsdiensten van zijn land.
  3. De wil van het volk zal de grondslag zijn van het gezag van de Regering; deze wil zal tot uiting komen in periodieke en eerlijke verkiezingen, die gehouden zullen worden krachtens algemeen en gelijkwaardig kiesrecht en bij geheime stemmingen of volgens een procedure, die evenzeer de vrijheid van de stemmen verzekert.


Artikel 22

  1. Een ieder heeft als lid van de gemeenschap recht op maatschappelijke zekerheid en heeft er aanspraak op, dat door middel van nationale inspanning en internationale samenwerking, en overeenkomstig de organisatie en de hulpbronnen van de betreffende Staat, de economische, sociale en culturele rechten, die onmisbaar zijn voor zijn waardigheid en voor de vrije ontplooiing van zijn persoonlijkheid, verwezenlijkt worden.


Artikel 23

  1. Een ieder heeft recht op arbeid, op vrije keuze van beroep, op rechtmatige en gunstige arbeidsvoorwaarden en op bescherming tegen werkloosheid.
  2. Een ieder, zonder enige achterstelling, heeft recht op gelijk loon voor gelijke arbeid.
  3. Een ieder, die arbeid verricht, heeft recht op een rechtvaardige en gunstige beloning, welke hem en zijn gezin een menswaardig bestaan verzekert, welke beloning zo nodig met andere middelen van sociale bescherming zal worden aangevuld.
  4. Een ieder heeft het recht om vakverenigingen op te richten en zich daarbij aan te sluiten ter bescherming van zijn belangen.


Artikel 24

  1. Een ieder heeft recht op rust en op eigen vrije tijd, met inbegrip van een redelijke beperking van de arbeidstijd, en op periodieke vakanties met behoud van loon.


Artikel 25

  1. Een ieder heeft recht op een levensstandaard, die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, waaronder inbegrepen voeding, kleding, huisvesting en geneeskundige verzorging en de noodzakelijke sociale diensten, alsmede het recht op voorziening in geval van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, overlijden van de echtgenoot, ouderdom of een ander gemis aan bestaansmiddelen, ontstaan ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.
  2. Moeder en kind hebben recht op bijzondere zorg en bijstand. Alle kinderen, al dan niet wettig, zullen dezelfde sociale bescherming genieten.


Artikel 26

  1. Een ieder heeft recht op onderwijs; het onderwijs zal kosteloos zijn, althans wat het lager en basisonderwijs betreft. Het lager onderwijs zal verplicht zijn. Ambachtsonderwijs en beroepsopleiding zullen algemeen beschikbaar worden gesteld. Hoger onderwijs zal openstaan voor een ieder, die daartoe de begaafdheid bezit.
  2. Het onderwijs zal gericht zijn op de volle ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid en op de versterking van de eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het zal het begrip, de verdraagzaamheid en de vriendschap onder alle naties, rassen of godsdienstige groepen bevorderen en het zal de werkzaamheden van de Verenigde Naties voor de handhaving van de vrede steunen.
  3. Aan de ouders komt in de eerste plaats het recht toe om de soort van opvoeding en onderwijs te kiezen, welke aan hun kinderen zal worden gegeven.


Artikel 27

  1. Een ieder heeft het recht om vrijelijk deel te nemen aan het culturele leven van de gemeenschap, om te genieten van kunst en om deel te hebben aan wetenschappelijke vooruitgang en de vruchten daarvan.
  2. Een ieder heeft het recht op de bescherming van de geestelijke en materiële belangen, voortspruitende uit een wetenschappelijk, letterkundig of artistiek werk, dat hij heeft voortgebracht.


Artikel 28

  1. Een ieder heeft recht op het bestaan van een zodanige maatschappelijke en internationale orde, dat de rechten en vrijheden, in deze Verklaring genoemd, daarin ten volle kunnen worden verwezenlijkt.


Artikel 29

  1. Een ieder heeft plichten jegens de gemeenschap, zonder welke de vrije en volledige ontplooiing van zijn persoonlijkheid niet mogelijk is.
  2. In de uitoefening van zijn rechten en vrijheden zal een ieder slechts onderworpen zijn aan die beperkingen, welke bij de wet zijn vastgesteld en wel uitsluitend ter verzekering van de onmisbare erkenning en eerbiediging van de rechten en vrijheden van anderen en om te voldoen aan de gerechtvaardigde eisen van de moraliteit, de openbare orde en het algemeen welzijn in een democratische gemeenschap.
  3. Deze rechten en vrijheden mogen in geen geval worden uitgeoefend in strijd met de doeleinden en beginselen van de Verenigde Naties.


Artikel 30

  1. Geen bepaling in deze Verklaring zal zodanig mogen worden uitgelegd, dat welke Staat, groep of persoon dan ook, daaraan enig recht kan ontlenen om iets te ondernemen of handelingen van welke aard ook te verrichten, die vernietiging van een van de rechten en vrijheden, in deze Verklaring genoemd, ten doel hebben.



Top



Top


Valérie Hendrickx

Jong en ongeneeslijk ziek

Valérie Hendrickx doorbreekt de stilte over longkanker

Interview Eline Delrue in De Morgen



Ja, ze heeft longkanker. En nee, ze heeft nooit gerookt. Valérie Hendrickx (32), mama van twee, is ongeneeslijk ziek. Vandaag, tijdens de maand van de witte lintjes, schudt ze het stigma van zich af. ‘Ik wil dat andere gezicht van de ziekte tonen.’


“Nooit heb ik een sigaret aangeraakt. Ook niet passief gerookt.” We zijn nog niet halverwege ons gesprek als Valérie zich begint te verontschuldigen tegen het bandrecordertje. “Zie, dat heb ik nu altijd”, verzucht ze. “Telkens weer voel ik die schroom om mijn diagnose uit te spreken. Stel dat ik nu borstkanker had, dan zou ik daar makkelijker voor uitkomen. Niet omdat die diagnose minder zwaar is, wel omdat ik het gevoel heb dat je dan op meer empathie kunt rekenen. Nu denk ik altijd dat ik mij moet verantwoorden. Lelijk gezegd: bij longkanker ziet iedereen een zeventigjarige man, geel van de nicotine. Je associeert het met oudere mensen, met een ongezonde levensstijl. Meteen is daar het beeld van iemand die zichzelf niet heeft verzorgd. Maar dat heb ik wél. Dat beeld moet veranderen: iedereen met longen kan mijn ziekte krijgen.”


Roken blijft de grootste risicofactor voor longkanker. In 80 à 90 procent van de gevallen is de ziekte veroorzaakt door de sigaret. Toch kunnen ook niet-rokers, zoals Valérie, longkanker oplopen. De cijfers liegen er niet om. Elk jaar krijgen 8.300 Belgen de diagnose, zo stelt de Stichting tegen Kanker vast. Longkanker kost jaarlijks ruim 6.500 landgenoten het leven, meer dan borst- en darmkanker samen. Daarmee blijft het een van de belangrijkste doodsoorzaken, zowel bij mannen als vrouwen.


Bij Valérie, apotheker van beroep, begint het vorig najaar met een onschuldig kuchje. Niets om zich zorgen over te maken, denkt ze, want dochter Annabel (nu 3) en zoontje Oscar (nu 1,5) blaffen al de hele winter lang. Welke mama blijft er dan buiten schot? Het wordt voorjaar: de baby en de peuter kikkeren op. Maar het gekuch van Valérie slaat om in een nare, nachtelijke hoest. Het is haar man Geert die haar naar de huisarts pusht. Een bronchitis, vermoedt die. Puffers rukken aan, tevergeefs. Een röntgenfoto toont een longontsteking, maar antibiotica brengen geen beterschap. Nog voor ze bij de pneumoloog geraakt, belandt Valérie op de spoedafdeling, op Moederdag.


Diezelfde week nog valt het verdict: longkanker.


Valérie: “Eerlijk gezegd, dat kwam niet eens zó hard aan. Ik stelde mezelf gerust: de tumoren zitten enkel in de rechterlong. Dat is een zware operatie, chemo en bestraling, maar wel met een redelijke kans op genezing.”


Een week later bleken beide longen aangetast. Was dat de zwaarste klap?


“Op het moment zelf, bij de oncoloog, voelde ik bitter weinig. Wellicht door de shock. Dat is je doodvonnis, hé. Van de ene seconde op de andere wist ik: ik mag een kruis trekken over genezen. Eenmaal thuis ben ik gecrasht. De grootouders waren hier om de kinderen op te vangen en ik kon alleen maar denken: ‘Ga alsjeblieft allemaal weg.’ Want je wilt ook crashen op zo’n moment, en dan het liefst alleen.


“De oncoloog had me nog wat peptalk willen geven. Omdat ik niet rook en zo jong ben, zei hij: ‘Jij móét een mutatie hebben die te behandelen is. Ik heb zo’n patiënt, en die leeft daar al vijf jaar mee.’ Ál vijf jaar. Ik maakte het rekensommetje: dan is Annabel 8 en Oscar 6. Dat voelde allesbehalve als een oppepper. Maar ik besefte al snel: vinden ze geen mutatie en slaat de chemo niet aan, dan heb ik misschien maar een of twee jaar. Dat was niet makkelijk, om die verwachtingen bij te schaven.”


Het werd het ‘beste’ scenario: de patholoog vond de ROS1-mutatie. Zeldzaam, maar behandelbaar. Twee keer per dag neemt Valerie een pil op maat. Gerichte medicatie die de tumor doet slapen, maar nooit definitief zal verslaan.


Hoelang zal dat medicijn bij jou zijn werk doen?


“Niemand die het kan voorspellen. Ik heb mijn artsen al verschillende keren om een prognose gevraagd, maar ze willen er geen geven. Ik weet alleen dat de medicatie die ik nu neem gemiddeld twee jaar aanslaat. Maar ik heb verhalen gelezen van patiënten bij wie de tumor na een halfjaar alweer begon te groeien. En ik ken evengoed verhalen van mensen die het al acht jaar slikken. Uitstel van executie, zo voelt het voor mij.”


Hoe ga je daar mee om?


“Ik probeer er niet te veel aan te denken. De kinderen dwingen mij ook om in het ‘nu’ te leven. Overdag leef ik eigenlijk alsof het allemaal niet waar is. Het is eerder ’s avonds, voor de televisie, dat het besef toeslaat. Of ’s ochtends, bij het ontwaken. ‘Verdorie, het was geen nachtmerrie.’ Gelukkig willen mijn kinderen ’s morgens op tijd hun boterham. (lachje) Zij houden mij gaande. Mochten zij er niet zijn, dan zou ik er misschien meer vrede mee hebben dat ik korter zal leven. Voor mezelf vind ik dat zo erg nog niet, maar voor hen... Dat zijn scenario’s waar ik liever niet aan denk.”


Je blijft er er nu rustig onder, maar heeft het jou ook al kwaad gemaakt? Waarom dit? Waarom nu?


“Vooral dat: waarom nú? Ik heb er wel vrede mee dat ik dit moest krijgen, maar ik zou er alles voor geven opdat het tien jaar later zou zijn begonnen. Tien jaar, dat is niet veel gevraagd, toch?”


Beseffen de kinderen dat hun mama ziek is?


“Annabel was pas tweeënhalf toen ik een week in het ziekenhuis lag, maar ze had wel door dat er iets gaande was. ‘Waarom logeer ik nu bij oma en opa?’, vroeg ze. Ik leg haar weleens uit dat ‘mama een beetje ziek is’. Dan vraagt ze wanneer ik zal genezen. ‘Mama kan niet genezen’, vertel ik dan. ‘Maar mama is nu wel heel goed.’ Ik lieg haar niets voor.


“Voor mijn dochter heb ik nu ook een tweede meter gevraagd, naast haar grootmoeder. Ik vind het belangrijk dat er ook een jongere vrouw in haar leven is. Iemand die haar bijstaat bij de grote mijlpalen, mocht ik er niet meer zijn.”


Vanop een foto gooien ze ons hun guitigste glimlach toe. Kleine Oscar met zijn blauwe kijkers. Zus Annabel met haar bruine ogen, de appel niet ver van mama’s boom. Valérie: “Het is al een pak van mijn hart dat mijn mutatie niet-aangeboren is. Een verworven mutatie, heet dat. Brute pech. Dat betekent ook dat ik het niet zal doorgeven aan mijn kinderen. Bovendien heb ik het geluk dat ik de diagnose nu heb gekregen, en niet tien jaar geleden. Toen bestond die mutatie ook al, maar werd er niet naar gezocht. Zo had ik nooit gerichte medicatie gekregen, geen kans op een langer leven. Die genetische tests zijn zo belangrijk.”


Dat er meer onderzoek kwam naar jouw mutatie heb je te danken aan vijf Amerikaanse lotgenoten die via sociale media het heft in eigen handen namen. Ga jij ook op de barricaden staan?


“Absoluut, ik wil zelf ook mee inzetten op meer onderzoek. Zodra het stigma op longkanker wegvalt, zal dat automatisch meer giften opleveren. Meer geld is meer onderzoek. En meer onderzoek betekent meer overlevers, zo simpel is het. Vandaar dat ik hiermee naar buiten kom: ik wil dat andere gezicht van de ziekte tonen.


“Als we ons als patiënten verenigen helpen we niet alleen elkaar, we helpen ook onderzoekers en duwen zo de medische wereld vooruit. Daar mee in willen sturen, is voor mij een uitlaatklep. Het geeft me het gevoel dat ik het onderste uit de kan haal. Want ik wil niet dood, hé.”


Veel jonge niet-rokers zitten in hetzelfde schuitje: in ons land alleen al gaat het elk jaar om 300 patiënten die de 50 niet halen. Wat moet er volgens jou gebeuren?


“Met antitabakscampagnes alleen zullen we longkanker niet uitroeien. Begrijp me niet verkeerd: roken ís schadelijk, en die campagnes werken wel degelijk. Maar er is nog meer onderzoek nodig naar andere oorzaken. Kijk, wij laten nu onze concentratie radon in huis opmeten. Dat is een radioactief element. Als je pech hebt en dat zit in je beton en je huis is niet goed verlucht, dan kun je te hoge dosissen binnenkrijgen. Ook dat is een risicofactor voor longkanker.


“Iedereen beseft ondertussen dat borstkanker ook jonge vrouwen kan treffen. Bij longkanker kan dat ook, maar niemand lijkt het te zien. Als je dan het effect ziet van de screeningprogramma’s voor borst- en darmkanker, weet ik dat we voor longkanker nog enorme sprongen kunnen maken.”


Het witte lintje is bijlange niet zo bekend als het roze, ook door de schroom van patiënten. Jij spreekt je wel over je ziekte uit. Bots je soms op opmerkingen waar je ongemakkelijk van wordt?


“Velen zeggen me, met de beste bedoelingen, dat ik er zo goed uitzie. Dan zie ik hen denken: ‘Die slaat zich er wel doorheen.’ Dat ‘vechten’ is heel dubbel voor mij. Alsof ik dan niet goed gestreden heb als ik sterf. Ik denk dat iedereen wel vecht, niet?


“Maar wat me nog het meest onzeker maakt, is die terugkerende vraag: ‘En, wanneer ga je opnieuw aan de slag?’ Dan ben ik bang dat mensen mij voor een profiteur aanzien. Nu, ik kan me voorstellen dat het voor buitenstaanders een bizar beeld is. Bij ongeneeslijk ziek denk je niet meteen aan dit. (wijst naar zichzelf) Maar ik leef wel degelijk op geleende tijd.


“Dat ongeneeslijke krijg ik trouwens nog altijd niet makkelijk uitgelegd, zelfs aan mijn ouders niet. ‘Goed bezig’, zeggen ze dan na een ‘goede’ scan. Maar wat is een goede scan? Ik ga nooit dé scan krijgen die zegt: ‘De tumor is weg en komt nooit meer terug.’”


Heb je een droomscenario: zó lang wil ik overleven?


“Mijn doel is de kinderen achttien zien worden. Vanuit de geruststellende gedacht: ‘Dan kunnen ze het zelf.’ Maar ook voor mijn man: dan moet hij niet alleen door die puberteit. (lacht uitbundig) Want als ik nu al zie hoe de ene het in haar peuterpuberteit uithangt. Dat belooft. (valt stil) En ik wil het ook gewoon zelf meemaken, natuurlijk.”


Je bent onlangs begonnen aan de tekenacademie, iets waar je altijd van droomde. Hoop je zo ook iets tastbaars na te laten voor je gezin?


“Oh, ik zou maar wat graag die vijf jaar tekenopleiding afmaken. (lachje) Want dat gevoel heb ik heel hard: willen verzekeren dat er iets overblijft van mij. Stel dat het echt heel snel slecht gaat, dan hebben de kinderen misschien geen herinneringen aan mij. Dat idee gaf me een enorme onrust. Fotoboeken samenstellen heeft me al een pak rustiger gemaakt.


“Ik wil ook een herinneringenboek maken, met anekdotes voor de kinderen. Als mijn dochter later haar eerste kind krijgt, wil ik dat ze kan lezen hoe ik haar geboorte heb beleefd. Zo’n boek voor als de kinderen zich afvragen: ‘Wat zou mama nu tegen ons hebben gezegd?’ Dingen waar mijn man misschien niet aan zal denken om ze te vertellen, of die hij anders heeft beleefd.”


Zie je dat soms voor je: hoe het afscheid zou kunnen zijn?


“Nee, dat zijn beelden die ik liever niet zie. Ik hoop dat ik omringd zal zijn door mijn man en mijn kinderen. Dat wel. En ik hoop dat mijn kinderen geen kindjes meer zullen zijn. Dat is de ergste gedachte die in mij opkomt: een vierjarige die op de begrafenis zit en niet weet waarover het gaat. (neemt een zakdoekje aan van haar man)”


Leven met het besef dat de dood wacht: we doen het allemaal, maar iemand als Valérie nog veel bewuster. “Het is een zwaarte die boven je hangt”, vertelt ze. “Maar wel gek hoe snel je je daaraan aanpast. Hadden ze mij twee jaar geleden gevraagd hoe ik mij zou voelen na deze diagnose, dan had ik gezegd: ‘Ik word binnen de kortste keren depressief.’ Maar dat is niet zo. Stuk voor stuk wordt dat je nieuwe normaal.”


Een vrouw met ongeneeslijke kanker vertelde me ooit dat ze voor haar echtgenoot een huishoudboekje had samengesteld. Over hoe de wasmachine werkte, bijvoorbeeld.


“(lacht) Ik heb er ook al aan gedacht om zoiets te maken. Soms denk ik: hoe gaat dat er hier bij liggen als ik er niet meer ben? Geert ruimt veel minder op dan ik. Daar ben ik toch wat bang voor.”


Deze winter vliegen jullie naar Mexico. Is dat nog zo’n moment om naar toe te leven?


“Reizen die we ooit wilden maken stellen we nu niet langer uit, dat is een feit. Ik weet niet of het wel zo’n goed idee is, Mexico met zulke kleine kinderen. Maar we dachten: ‘Foert, we boeken die reis en zien dan wel of we kunnen vertrekken.’ Veel hangt af van mijn volgende scan, begin januari. Gaat die reis niet door, dan is dat ook geen ramp. De dagelijkse dingen, zoals mijn dochter oppikken na school, zijn zo veel belangrijker. Cliché, maar waar.


“En ondertussen hoop ik dat het een soort chronische ziekte wordt. Dat ik bij wijze van spreken van de ene behandeling naar de andere kan springen. Om op die manier geen tachtig te worden, maar – wie weet? – wel veertig. Als ik zie met welke experimentele studies ze in de Verenigde Staten al bezig zijn, dan denk ik: ‘Zodra ik hier uitbehandeld ben, verhuizen we gewoon naar de VS.’ Dan ga ik daar wel aan de nieuwste trial meedoen, als die hoopvol is.”


Interview Eline Delrue in De Morgen


Heidi De Pauw

CEO Child Focus

"Deze blinde haat heb ik nog nooit meegemaakt."

Joël De Ceulaer - De Morgen


Heidi De Pauw

CEO van Child Focus neemt het op voor de kinderen van IS-weduwen


Heidi De Pauw stond deze week in het oog van de storm, omdat ze als CEO van Child Focus vindt dat België de kinderen van IS-strijders moet terughalen. Wat een rechter ook bevolen heeft. Een gesprek over terreur, prostitutie en mensensmokkel.


“Ik ga daar eerlijk in zijn”, zegt Heidi De Pauw. “Het is verschrikkelijk. Ik word bedreigd met de dood, met verkrachting, mensen wensen mij toe dat ik familieleden zou verliezen bij een aanslag. Ik kom al twintig jaar op voor de meest kwetsbaren in onze samenleving, maar deze blinde haat heb ik nog nooit meegemaakt. Ik kan begrijpen dat mensen niet akkoord gaan, en zelf kan ik die bagger nog aan. Maar wat mij choqueert, is wat men allemaal over deze kinderen schrijft: dat het addergebroed is, dat we hen maar moeten verzuipen als kattenjongen – die ontmenselijking maakt mij enorm opstandig.”


‘Wat mij choqueert,

is wat men over deze kinderen schrijft:

dat het addergebroed is,

dat we hen maar moeten verzuipen als kattenjongen’


Heidi De Pauw is directeur van Child Focus, de organisatie die twintig jaar geleden, vlak na de Dutroux-crisis, in het leven werd geroepen om alerter te kunnen reageren op de zorgwekkende verdwijning van kinderen. Het is in die hoedanigheid dat ze betrokken raakte bij het debat over de kinderen van IS-strijders of hun weduwen, die zich nog in Syrië bevinden. Deze week gaf de rechter in kortgeding twee van die weduwen gelijk: ons land moet, op straffe van een dwangsom, alles in het werk stellen om de kinderen van Tatiana Wielandt en Bouchra Abouallal, én hun moeders, terug te halen.


“Voor alle duidelijkheid: ons gaat het om de kinderen”, zegt De Pauw vrijdagochtend bij een Gentse kop koffie. “Het is de rechter die op eigen houtje heeft beslist dat ook de moeders moeten meekomen. Dat is verwonderlijk, want het werd niet gevraagd door de eisende partijen. De Belgische staat kan in beroep gaan, maar dat is niet opschortend. Er moet dus binnen de veertig dagen actie ondernomen worden om ze terug te halen.”


Hoe raakte u hierbij betrokken?

Heidi De Pauw: “Eind 2012, toen de eerste strijders naar Syrië vertrokken. Daar waren ook minderjarigen bij, en dus werden wij gebeld door ouders van jongens en meisjes die vertrokken waren of dreigden te vertrekken. Voor die ouders wilden wij er zijn, want dat viel ons meteen op: die mensen stonden er helemaal alleen voor, net zoals de ouders van vermiste kinderen twintig jaar geleden helemaal alleen stonden.”


Wat kon u verder voor hen doen?

“Er vooral zijn. En helpen bij het verkrijgen van informatie. Wij hebben een systeem dat heel goed werkt bij verdwijningen, een machinerie die we snel in gang kunnen steken. Dat kon in dit geval niet, onder meer omdat we geen informatie kregen van de overheid: het ging om terrorismedossiers, en dan is informatie vaak classified, geheim. Wij hebben vooral achter de schermen hard gelobbyd om toch zoveel mogelijk te weten te komen, om op z’n minst te kunnen bevestigen dat die jongeren in Syrië of Irak zaten.”


Ging het meteen om IS-strijders?

“Nee, die kwamen er pas rond 2014. De eerste vertrekkers gingen strijden tegen het regime van de Syrische dictator Bashar al-Assad. Hij wordt er niet graag aan herinnerd, maar ook onze minister van Buitenlandse zaken Didier Reynders had ooit lof voor de jongens die gingen vechten tegen Assad. Een aantal van die eerste strijders is ook snel teruggekeerd toen de gruwel begon, toen Al-Baghdadi het kalifaat stichtte. Toen is alles veranderd. Toen vertrokken er ook gezinnen met kinderen naar ginder.”


En die kunt u niet tegenhouden?

“Nee, toch niet vanuit onze missie. Ouders mogen in principe hun kinderen meenemen naar oorlogsgebied, dat doet een vriend van mij die voor Artsen zonder Grenzen werkt eigenlijk ook. Waar wij wél onze missie van maken, is parentale ontvoering: als een van beide ouders met een kind naar het kalifaat vertrok. Zo hebben we een aantal zaken tot een goed einde kunnen brengen: een meisje uit Molenbeek is nu een paar weken terug, zij was door haar vader ontvoerd en die was daar gesneuveld.”


Hoe is dat gegaan?

“Dat kan ik u niet zeggen, omdat de informatie classified is. Maar dat meisje bevond zich in handen van een terroristische organisatie en is onlangs door de Belgische diensten teruggehaald. Ze woont nu bij haar mama in Molenbeek. In het Koerdische kamp waar ik met Rudi Vranckx geweest ben, zit nog zo’n minderjarig meisje dat ontvoerd werd door haar vader die ondertussen gesneuveld is. Ook haar lot gaat ons ter harte, net zoals wij ons het lot van de kinderen van de twee weduwen aantrekken.”


‘De reportage van Vranckx heeft een verschil gemaakt.

Nu is duidelijk dat de situatie van de kinderen erbarmelijk is’


Eerder had een rechter deze beide vrouwen ongelijk gegeven.

“Volgens die rechter was er geen sprake van hoogdringendheid. Maar de reportage van Vranckx heeft een verschil gemaakt. Nu is het duidelijk dat die vrouwen en hun kinderen daar echt zijn, en dat de situatie van de kinderen erbarmelijk is. De kinderen zijn tussen de acht maanden en zes jaar oud en zitten gevangen. Een van hen, een kind van twee, is erg ziek, is ondervoed en heeft dringend medische bijstand nodig. En deze rechter heeft dus beslist dat er wel sprake is van hoogdringendheid.”


Waarom moeten de vrouwen ook mee?

“Volgens de rechter is het onwettig en onmenselijk is om kinderen te scheiden van hun ouders. Dat staat duidelijk in het Kinderrechtenverdrag én in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en die zijn bindend, wat sommige politici ook mogen beweren. De Koerden die het kamp runnen, willen ook van die gevangenen af. Zij hebben geholpen om IS terug te dringen en willen nu onderhandelen en officieel erkend worden. Nu, dat is geopolitiek, daar ga ik mij niet mee bemoeien. Maar we moeten hen wel terughalen.”


Volgens VRT-journalist Jens Franssen is dat makkelijker gezegd dan gedaan. En hij weet waarover hij het heeft, neem ik aan.

“Dat is waar. Maar ik ben er zelf geweest, en het is mogelijk. Je kunt gebruikmaken van internationale organisaties zoals het Rode Kruis. Ook de International Organisation for Migration is in de regio actief en kan helpen. De Koerden willen echt een oplossing, dus er kan vast een route gevonden worden, of het nu via Turkije of Irak of waar dan ook is.”


‘Over die moeders wil ik geen oordeel vellen.

Iedereen weet dat er IS-vlaggetjes op de doopsuiker stonden.

Dat is verwerpelijk’


U zat onlangs in De zevende dag tegenover Nadia Sminate van de N-VA, die flink tekeerging over het feit dat we bij die kinderen de moeders cadeau krijgen.

“Dat bemoeilijkt het debat voor ons. Daarom staan wij als Child Focus op de barricades. Het gaat niet enkel over moeders met kinderen, maar ook over wezen. Over die moeders wil ik geen oordeel vellen, het gaat om vrouwen die al veroordeeld zijn voor vreselijke feiten. Iedereen weet ondertussen dat er zelfs IS-vlaggetjes op de doopsuiker stonden. Dat is verwerpelijk, dat vinden we allemaal. En het is natuurlijk koren op de molen van mensen die nu haat willen spuien. Maar de kinderen hebben daar niets mee te maken.”


Had België al niet eens beloofd om kinderen terug te halen?

“Absoluut. In november vorig jaar heeft de Belgische regering een morele verbintenis aangegaan om de kinderen onder de zestien terug te halen. Dat was dus geen juridische, maar een morele verbintenis. Dat is in het parlement goedgekeurd, maar er is nooit een plan van uitvoering gekomen. Dat is het probleem. Daarom heeft de rechter nu gezegd: doe het. Er bestaat ook zoiets als het Kinderrechtenverdrag en dat is ook bindend.”


N-VA-kopstuk Theo Francken vergeleek het Kinderrechtenverdrag in een tweet met het Marrakechpact. Van dat laatste beweert iedereen dat het niet bindend is.

“Dat is ook zo. Een pact is niet bindend. Een verdrag wel. Simpel. Sinds 1992 heeft het Kinderrechtenverdrag kracht van wet. Dat is niet te vergelijken met het Marrakechpact. Francken fulmineert ook omdat de rechter artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens inroept, dat gaat over foltering en onmenselijke behandeling. Dat artikel speelde ook een cruciale rol in de Soedan-crisis. Maar ik vind het belangrijk om de dingen niet op één hoop te gooien. Dit is geen migratiedebat.”


Dit gaat over Belgische kinderen.

“Precies. Dit heeft niets met vreemdelingenrecht te maken. En de consulaire wet geeft de doorslag. Die Belgische kinderen bevinden zich in een oorlogssituatie, en de Belgische overheid heeft de plicht om onderdanen uit zo’n situatie te evacueren. Zoals het in 1960 in Congo is gebeurd, bijvoorbeeld. Of zoals het zou gebeuren als er pakweg in Tunesië morgen een staatsgreep zou plaatsvinden.”


Volgens Montasser AlDe’emeh, die het gebied en de strijders goed kent, zijn die moeders gevaarlijk en hun kinderen tijdbommen.

“Ik heb met Montasser gepraat, en ik wil er best met hem over debatteren. Maar ik ben niet naïef, zoals hij aanvankelijk dacht. Ik weet ook wel dat die moeders nog altijd zeer gevaarlijke ideeën kunnen koesteren, en ik vind ook dat we die kinderen goed moeten onderzoeken op eventuele tekenen van radicalisering. Maar de psycholoog die erbij was toen we het kamp bezochten, Gerrit Loots, heeft ervaring met kindsoldaten, en zegt dat er bij deze kinderen geen probleem is. Het oudste is zes, dat wil alleen maar spelen.”


Wat als de moeders na vijf jaar vrijkomen?

“Dat is de verantwoordelijkheid van de overheid. Er wordt veel geld gepompt in allerlei deradicaliseringsprogramma’s.”


‘Ik hoop dat deze kinderen op een normale manier kunnen opgroeien.

Zo is het gebeurd met de kinderen van Marc Dutroux’


Maar ze werken niet.

“Maar ze kúnnen werken. In Scandinavië heeft men goede ervaringen met programma’s om neonazi’s opnieuw te integreren. Dit probleem moet een overheid aankunnen. Er zijn ook al kinderen teruggekeerd, er zijn al moeders en vaders die hun straf hebben uitgezeten en weer vrij zijn, dus het is mogelijk. Ik hoop alleen dat we de kinderen discreet terughalen. En dat ze onder de radar naar school kunnen, zodat ze op een normale manier opgroeien. Zo is dat gebeurd met de kinderen van Marc Dutroux.”


In dat verband: u vond, in 2012, de vervroegde vrijlating van Michelle Martin, de vrouw en mededader van Dutroux, niet goed.

“Nee, uiteraard verdienen criminelen een tweede kans, maar wij vonden de feiten dermate zwaar dat we het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank niet begrepen. Al leggen we ons er wel bij neer, uiteraard.”


Waar lopen jonge kinderen tegenwoordig het meeste gevaar?

“Een probleem is zeker dat van jonge meisjes die in de prostitutie gedwongen worden door tienerpooiers. Vaak zijn dat meisjes die hun kwetsbaarheid tonen op sociale media. Die pooiers hebben daar speciale voelsprieten voor. De rekrutering via internet verloopt drie keer zo snel als aan de schoolpoort of in het café – we noemen dat hawking: de pooier cirkelt als een havik boven zijn prooi tot hij kans ziet om toe te slaan.”


Om hoeveel meisjes gaat het?

“Om enkele tientallen in Vlaanderen. En het gaat helaas in stijgende lijn. Vaak gaat het om meisjes die in een voorziening geplaatst zijn en regelmatig weglopen – dat is een indicatie van prostitutie. De pooiers chanteren hen met foto’s of met drugs, nadat ze hen eerst verslaafd hebben gemaakt.”


‘Voor meisjes die hun kwetsbaarheid tonen op sociale media, hebben tienerpooiers speciale voelsprieten’


Voor u directeur werd bij Child Focus, was u directeur bij PAG-ASA. Ook die organisatie bestrijdt prostitutie.

“Ik ben nog altijd voorzitter van die organisatie. Het is een gespecialiseerd centrum voor slachtoffers van mensenhandel. Dat kan gaan over prostitutie maar ook om gedwongen bedelarij, bijvoorbeeld. Om mensen met een handicap die worden gerekruteerd in Oost-Europa om hier te komen bedelen.”


Geeft u aan die bedelaars?

“Nee. Omdat ik weet dat ik die mensen daarmee niet help. Maar dat is een hele moeilijke, dat geef ik toe. Nu, ons land kent wel een systeem van quid pro quo, waarbij mensen die het slachtoffer zijn van mensenhandel in ruil voor veilige opvang kunnen getuigen tegen de bendes. Dat is een goed systeem, en het wordt ook gebruikt. Alleen is er wat minder aandacht voor, door het waterbedeffect: er is vandaag een overpolicing van terreur, en een underpolicing van mensenhandel en andere georganiseerde criminaliteit.”


U neemt het ook, samen met liberaal Europarlementslid Hilde Vautmans, op voor de niet-begeleide minderjarigen die door Europa zwerven.

“Zo heb ik een vlammende discussie gehad met Theo Francken (N-VA), toen nog staatssecretaris. Zijn diensten, maar ook de diensten van minister van Justitie Koen Geens (CD&V), hadden een minderjarige Marokkaanse jongen laten lopen, niemand had hem opgemerkt. Omdat ze blijkbaar weinig belang aan zulke jongens hechten. Maar die jongen is nu terecht, en hij is op het goede pad. U ziet het, er valt ook goed nieuws te noteren.”


Activiste Samira Atillah vergeleek onlangs in deze krant de mensensmokkelaars met drugdealers. Hoe meer risico’s ze moeten nemen, hoe genadelozer ze worden.

“Dat klopt. Mensen zijn goederen voor hen. Denk aan wat Albanese smokkelaars twintig jaar geleden deden: als de kustwacht hen dreigde te onderscheppen, gooiden ze een meisje overboord – dan moest de kustwacht dat kind redden en konden zij ontsnappen. Men gaat steeds verder. Er zijn al mensen die proberen met een bootje de Noordzee over te varen. Ik pleit niet voor open grenzen, maar als we Europa hermetisch afsluiten, geven we carte blanche aan smokkelaars, en hebben we het ergste nog niet gezien.”


Joël De Ceulaer - De Morgen



Wim Moesen

Professor publieke financiën

Over de politiek vandaag - We hebben alles behalve de leiders die we verdienen.



Wat er mis is met politieke benoemingen? Alles, zegt professor publieke financiën Wim Moesen. Die gaan immers hand in hand met een lamentabel begrotingsbeleid. “Als je aan de top voorbeelden geeft van civiel gedrag, dan straalt dat af op de bevolking.”

CD&V dat koste wat het kost Steven Vanackere wil binnenloodsen bij de Nationale Bank. Open Vld dat na een objectieve selectieprocedure toch per se haar eigen kandidate Carina Van Cauter wil benoemen als gouverneur van Oost-Vlaanderen. Wim Moesen, professor emeritus publieke financiën aan de KU Leuven, keek meewarig toe. “


Een fundamenteel gebrek aan staatsmanschap is het”, zegt hij hoofdschuddend. Maar wat volgens hem nog veel erger is: de impact van dergelijke benoemingen is veel groter dan politici lijken te beseffen.


Het is toch niet zo vreemd dat een regering eigen vertegenwoordigers wil bij een overheidsinstelling?


“Natuurlijk heeft de regering het volste recht om bestuursleden aan te duiden bij de Nationale Bank en eender welk ander overheidsvehikel. Maar waarom moet dat iemand met een partijkaart zijn? Waarom kiezen we niet de meest deskundige kandidaat?”


Een politiek benoemde is toch niet per definitie ondeskundig?


“Nee en dat bewijst de voordracht van Steven Vanackere. Maar een politieke benoeming is zeker geen garantie op deskundigheid. Weet u hoe men dat aanpakt in Zweden? Men kijkt welke profielen men nodig heeft in een raad van bestuur. Met vijf juristen of zes economen alleen ben je niets. Dan heb je er beter een filosoof bij, een ingenieur, een hr-specialist enzovoort. En vertrekt er een econometrist, dan zoek je een nieuwe met dezelfde specialisatie. Dat doet de raad van bestuur daar overigens zelf. De regering heeft dat alleen maar te bekrachtigen. Hebben die kandidaten nooit een politieke kleur? Ongetwijfeld wel, maar die is ondergeschikt aan hun expertise. Hier is het veeleer omgekeerd.”


Er is een poging ondernomen om de nieuwe Oost-Vlaamse gouverneur via een objectieve procedure te zoeken. Heeft u ooit geloofd dat dat zou werken?


“Ik heb het gehoopt. Dit was een mooie kans om een voorbeeld te stellen, maar dan moeten alle partijen wel bereid zijn om staatsmanschap te tonen. Allez, je kan nu in alle objectiviteit toch niet beweren dat wij goed bezig zijn?”


U bent gebeten op die politieke benoemingen. Waarom?


“Omdat ze een perfect voorbeeld zijn van hoe moeilijk onze politiek het heeft met neutraliteit. Neem nu die zoektocht naar een nieuwe Oost-Vlaamse gouverneur. Er was een beoordeling, maar die wordt dan weer in vraag gesteld. Dat is bijzonder problematisch, omdat zo’n voorval de kern van ons politieke bedrijf en bijgevolg van onze maatschappij blootlegt. Zijn wij een samenleving van grabbelaars die cliëntelisme en favoritisme graag in stand willen houden? Of zijn wij een samenleving die wordt aangestuurd door staatsmannen en -vrouwen die het algemeen belang willen dienen? Het antwoord is duidelijk het eerste.”


Dat is erg hard.


“Het algemeen belang primeert te weinig voor onze leiders. Ik gebruik graag deze metafoor. In rurale dorpen in de middeleeuwen hadden ze een gemeenschappelijke weide. Iedereen mocht daar zijn vee vrij laten grazen. En iedereen vond uiteraard dat zijn vee er recht op had. Binnen de kortste keren was die mooie weide een barre vlakte of een modderpoel. Dat krijg je wanneer het eigen belang primeert en men enkel op korte termijn denkt.


“In België, meer dan in andere landen, is de publieke ruimte zo’n weide. Onze begroting is daar het mooiste voorbeeld van: iedereen wil daar zo veel mogelijk uithalen voor het eigen profijt. Je hebt allerhande partijen, drukkingsgroepen, belangenverenigingen die allemaal ijveren voor hun achterban. Diezelfde drukkingsgroepen pleiten voor uitzonderingsregels bij de belastingen: niet voor niets zijn wij de kampioen in fiscale vrijstellingen en aftrekposten. Je zit dus met een opwaartse druk op de uitgaven, een neerwaartse druk op de ontvangsten en het resultaat is voorspelbaar: een tekort op de begroting. Dat tekort is een rechtstreeks gevolg van het politieke onvermogen om een begroting op te maken die goed is voor de gemiddelde burger en voor het algemeen welzijn. Men is niet in staat om het eigen belang te overstijgen.”


Is dat probleem in België groter dan in andere landen?


“Absoluut, wij zijn zeer tolerant voor politieke zelfbediening. We knijpen een oogje dicht voor fraudeurs en belastingontduikers en zijn zelf ook zeer bedreven in het zoeken van fiscale achterpoortjes. Wij hebben een mentaliteit waarbij alles kan, zolang je niet wordt betrapt. In Scandinavische landen accepteert men zulk inciviek gedrag absoluut niet, net zo min als in Nederland overigens.


“(haalt er een tabel bij) Kijk, hier ziet u de mate waarin 21 mature industrielanden belang hechten aan hun civiel kapitaal. Dat is de mate waarin ze burgerzin vertonen en ze van hun leiders eveneens een hoog normen-en-waardenpatroon verwachten. België staat op plek 15. Diep in de tweede rechterkolom, om het in voetbaltermen te zeggen. Frankrijk en de VS bevinden zich in onze buurt. Wie staat voor de rest nog achter ons? Portugal, Spanje, Italië en Griekenland.”


Landen die ernstig in de problemen zijn geraakt met hun begroting.


“Exact. Dat zijn landen waar de begroting wordt gezien als die gemeenschappelijke weide waar je zo veel mogelijk voordeel voor jezelf uit moet zien te halen. Er is een duidelijk aantoonbare link tussen de schuldgraad van een land en de mate waarin het belang hecht aan zijn civiel kapitaal.


Wat bedoelt u met civiel kapitaal?


“Het was Nobelprijs-winnaar Robert Solow die als eerste aanwees dat er meer was dan enkel natuurlijk kapitaal, zoals grondstoffen, het aanwezige menselijk kapitaal en het fysieke kapitaal, zoals goede infrastructuur, dat maakt of een land welvarend is of niet. Dat idee is later verder uitgewerkt door econoom Luigi Zingales. Hij kwam tot de constatering dat de ontbrekende factor was hoe wij ons gedragen in de publieke ruimte. Ons civiel kapitaal dus.”


Hoe valt dat te meten?


“Volgens Zingales heb je in een democratie drie dimensies. De eerste is de vraag of er een democratische regering is en of die doet wat ze moet doen. Vervolgens wordt er gekeken of er een competente, neutrale administratie aanwezig is om de beslissingen uit te voeren. De laatste stap is de burger: aanvaardt die de regels die de andere twee niveaus hebben uitgewerkt? En aanvaardt hij de consequenties van het niet-volgen van de regels?


“Zeker wat het eerste en het laatste punt betreft, stoten wij op een reeks problemen. België heeft niet één, maar zes regeringen. Bovendien zijn dat altijd coalitieregeringen, zitten we al eens 541 dagen zonder en als we er een hebben is het een kibbelkabinet. Ook in het navolgen van regels zijn wij geen kampioenen. Niet dat we massaal flitspalen in brand steken omdat we de snelheidsbeperkingen op de baan maar niets vinden, maar we hebben als volk wel een duidelijke voorliefde om de kantjes ervan af te lopen.”


Het zit met andere woorden in onze volksaard?


“Klopt. En u mag dat overdreven vinden, maar de landen die boven ons staan in de rangschikking kijken naar ons zoals wij naar de ‘Club Med-landen’, landen als Spanje, Italië, Griekenland en Portugal, waar vriendjespolitiek de norm is.


“Ik had ten tijde van de economische crisis eens een gesprek met de uitbaatster van een Grieks restaurant in Leuven. Ik vroeg haar of het klopte wat ik in The Financial Times had gelezen. Dat je in haar thuisland steekpenningen moest betalen om zelfs maar een telefoonaansluiting te kunnen regelen. Natuurlijk niet, zei ze. Tot het haar plots begon te dagen dat ik het over de fakelaki had. Het ‘envelopke’, zoals ze dat noemde. Die brave dame zag dat dus helemaal niet als steekpenning, maar als iets doodnormaal. Om maar te zeggen: wij vinden dat erover, maar wat wij doen is ook niet normaal in de ogen van andere landen.”


Hoe komt het dat wij daar zo anders tegenover staan dan bijvoorbeeld Nederland, waarmee we toch een grote geschiedenis delen?


“Daar bestaan veel theorieën over. Er zijn er die zeggen dat het komt doordat wij vroeger altijd bezet zijn en daarom een probleem hebben met macht. Er zijn er die verwijzen naar religie: het katholieke laxisme tegenover het protestantse puritanisme. Het klimaat zou ook een factor kunnen zijn. In Scandinavië heb je grote uitgestrekte gebieden met een lage bevolkingsdichtheid. Om de winter door te komen moet de bevolking plannen maken en samenwerken. Ze heeft namelijk geen meerdere oogsten per jaar, ze is altijd genoodzaakt om aan lange termijndenken te doen.


“Een laatste theorie die opgang maakt is die van de vloek van de natuurlijke rijkdom. Een land dat veel natuurlijke grondstoffen bezit loopt veel meer risico om te worden gemonopoliseerd door een kleine elite die alles onder elkaar verdeelt. Mogelijk hebben wij wel te lijden onder die natuurlijke rijkdom.”


Zo veel aardgas of metaal zit hier nochtans niet in de bodem.


“In ons geval is dat onze centrale ligging in Europa. Wij maakten in 1956 van meet af aan deel uit van de douane-unie en profiteerden mee van de welvaart van de 200 miljoen koopkrachtige Europeanen rondom ons. Wij surften mee op de groei van de anderen en dat maakte het heel makkelijk om beleid te voeren. Maar zo werd hier ook een politieke gemakzucht geïnstalleerd: wij moesten nooit te ver vooruitkijken. Niet voor niets heeft België in het buitenland de naam van expert de la navigation à vue. Wij varen op het zicht. We zijn kortzichtiger dan de meeste van onze buurlanden. Het is jammer dat de huidige regering, die nochtans de naam van ‘Zweedse coalitie’ draagt, er niet in is geslaagd om wat meer Scandinavisch pragmatisme aan de dag te leggen.”


Hoe bedoelt u?


“Deze regering heeft veel minder opgebracht dan er potentieel in zat. Ook N-VA heeft de cultuur van cliëntelisme niet kunnen doorbreken, laat staan rechttrekken. De taxshift was een enorme gemiste kans. De lasten op arbeid moesten worden verlaagd, daar ben ik het helemaal mee eens, maar in plaats daarvan had men meer groene belastingen moeten heffen en de inkomsten uit vermogen meer moeten belasten om de budgettaire ontvangsten neutraal te houden.”


Is dat niet wat veel verwacht van een centrumrechtse regering?


“Het zou wel een uiting van Scandinavisch pragmatisme zijn geweest. Dan had je iets echt goeds gedaan voor de economie en voor het land. Nu hebben we de persoonsbelastingen heel miniem laten dalen. En wie heeft dat gevoeld? Niemand.”


Als het gebrek aan burgerzin zo in onze volksaard zit, moeten we toch ook niet klagen? Dan hebben wij gewoon de leiders die we verdienen.


“(resoluut) We hebben allesbehalve de leiders die we verdienen. Het is de taak van onze leiders om ervoor te zorgen dat wij niet met een barre weide achterblijven. Om het met mijn 97-jarige schoonmoeder te zeggen: waar de naald gaat, volgt de draad. Als je aan de top voorbeelden geeft van civiel gedrag, dan straalt dat af op de bevolking. Als zij zich beter gaan gedragen, dan zullen wij dat ook doen.


“Ach, er is veel te weinig staatsmanschap. De laatste echte staatsman was voor mij Gaston Eyskens. Dat is al een tijdje geleden,  ja. Een staatsman, die moet zijn zoals de Romeinse veldheer Cincinnatus. Hij werd geroepen om orde op zaken komen stellen bij een oorlog die Rome dreigde te verliezen, overwon glansrijk, en keerde vervolgens terug naar zijn akker in de provincie. Een staatsman, die doet wat goed is en handelt niet met het eigenbelang in het achterhoofd. Gaston Eyskens deed dat. Hij ijverde voor wat hij goed achtte voor het algemeen belang, los van partijpolitieke belangen, en weigerde daar toegevingen op te doen. Daar viel al eens een regering over. Wel, dan stond hij ’s anderendaags op de universiteit gewoon weer les te geven. Ik kan het weten, ik heb bij hem gedoctoreerd. (lachje) Voor hem hebben ze nooit een uitweg moeten zoeken met een of andere lucratieve post.”


Gelooft u dat we ooit naar die linkertabelhelft zullen verhuizen? Kan ons civiel kapitaal groeien?


“Ik weet zeker dat het kan. Af en toe zijn er lichtpuntjes. Ten tijde van de regering-Di Rupo heeft Koen Geens (CD&V) de top van Dexia herschikt. Dat is toen vrij objectief gebeurd.


“Er komt nu ook een grote kans aan die we niet zouden mogen missen. Herinnert u zich de Publifin-affaire nog? Amper twee jaar geleden stond het land op zijn kop omdat er politici zijn met tientallen mandaten in intercommunales en zichzelf zo verrijken. Dat is één keer aan de oppervlakte gekomen, er is veel misbaar rond gemaakt, maar hoort u daar nu nog iets van?”


Weinig.


“Ik ook niet. Ik zou nu wel eens van de dames en heren politici die toen zo verontwaardigd waren willen weten hoe het zit. Gaan ze hun gedragingen aanpassen? Nu is het daarvoor namelijk het uitgelezen moment: de lokale verkiezingen zijn net gepasseerd, overal worden weer coalities gevormd. Wat gebeurt er met degenen die net uit de boot zijn gevallen? Worden zij nu weer beloond met een mandaatje? Of waren het toch geen loze beloftes, twee jaar geleden?”


Bruno De Wever

Historicus

'Nooit meer oorlog? Ik denk dat oorlog soms noodzakelijk is'



Droeg de Eerste Wereldoorlog de kiemen van een volgende wereldbrand in zich? Begon de Tweede Wereldoorlog eigenlijk met de vrede van Versailles? En hoe zat het ook alweer met die dolkstootlegende? Op hoorcollege bij de Gentse professor Bruno De Wever.


Als u vandaag terugkijkt naar de eerste helft van de 20ste eeuw, ziet u dan twee wereldoorlogen of vloeide de tweede bijna logisch voort uit de eerste?


Dat is het klassieke beeld van de dertigjarige burgeroorlog, die dan van 1914 tot 1945 zou hebben geduurd. Maar dat beeld vertrekt wel heel erg vanuit een Europees standpunt: het waren per slot van rekening wereldoorlogen. Aan de andere kant is het natuurlijk evident dat de oorzaken van de Tweede Wereldoorlog gezocht kunnen worden in de manier waarop de Eerste Wereldoorlog is afgehandeld. Zo bekeken, kun je er gemakkelijk één episode van maken.


Hoe zullen historici daar over honderd jaar dan naar kijken?


Er zullen dan waarschijnlijk verschillende scholen bestaan, zoals dat vandaag ook het geval is. Wat mij betreft, zijn de verschillen duidelijk. Toch zeker binnen het Europese kader kan de Tweede Wereldoorlog veel simpeler worden uitgelegd dan de Eerste. De Tweede Wereldoorlog is Adolf Hitler. Duidelijk. Maar over wat de Eerste Wereldoorlog heeft veroorzaakt, zullen historici van mening blijven verschillen. Europa stond op het toppunt van zijn mondiale macht en ging er op alle vlakken alleen maar op vooruit. Het was de belle époque! Hoe kwamen al die landen ertoe om zelfmoord te plegen? Over één structurele oorzaak zijn de meeste historici het wél eens: er zat spanning op wat landen in de tweede industriële revolutie nodig hadden en de manier waarop de wereldpolitiek opschoof in de richting van meer economisch nationalisme. Dat maakte regeringsleiders heel onzeker. De industriële grootmacht Duitsland was voor de aanvoer van grondstoffen afhankelijk van de goodwill van andere imperiums. Men had daar toen beter een oplossing voor gezocht via grote internationale organisaties om over vrijhandel te praten, zoals wij dat vandaag proberen te doen. Daar ligt, denk ik, de basisoorzaak van die oorlog, die ook ná 1918 niet werd aangepakt. Er moest een Tweede Wereldoorlog komen voor de wereld tot dat inzicht kwam.

Karikatuur van Hitler uit 1939 met als titel 'Vredesbespreking'. In naam van de 'nooit meer oorlog'-gedachte werd niets ondernomen tegen Hitlers gebiedshonger. En zo belandde Europa opnieuw in een grootschalig conflict. © The National Library of Israel, Jeruzalem


Was Adolf Hitler dan toch een direct gevolg van de manier waarop de Eerste Wereldoorlog werd afgehandeld?


Geen direct gevolg, nee. Maar de hele context van een vredesregeling waarin Duitsland als de enige schuldige werd aangewezen en voor de volledige oorlogsschade moest opdraaien - dat was niet slim.


Was het Verdrag van Versailles een vergissing?


Het was een vergissing, in die zin dat het Duitsland in een onmogelijke positie plaatste. Maar in de geschiedenis staat niets vast: komt de beurskrach er niet in 1929, dan heb je misschien een ander verhaal. Hoe dan ook: in heel Duitsland, van links tot rechts, was er een consensus dat Versailles een dictaatvrede was en dat het niet redelijk was om de gewone Duitser, die ook maar aan het front had gestaan, voor die hele oorlog te laten meebetalen.


Wat speelde in het Duitse revanchisme de grootste rol: de herstelbetalingen of het verlies aan grondgebied?


Het hele plaatje. De herstelbetalingen deden in de eerste plaats de doorsnee Duitser pijn. Zeker na de devaluatie, de Frans-Belgische bezetting van het Ruhrgebied en de stakingen. Dat heeft de middenklasse verarmd en dat is rampzalig, want een verarmde middenklasse is altijd het beste recept voor radicalisering. De verloren gegane gebieden, in het Oosten in Polen, Elzas-Lotharingen, de kolonies, zullen zeker ook een rol hebben gespeeld. Het is moeilijk uit te maken wat precies het zwaarste woog.


Was er na 1918 toch ook geen sprake van een mentale demobilisatie?


De paradox van die grote mensenslachting, waarvan de begraafplaatsen bij ons in de Westhoek en in de Franse oorlogszones getuigenis afleggen, was dat het de betrokken generatie tot de idee bracht: nooit meer oorlog. En toch is het dertig jaar later opnieuw zover. Zeker in democratisch Europa - in de jaren 1930 was dat nog alleen West-Europa plus Tsjechoslowakije, min Duitsland, Oostenrijk en Italië - leefde zowel bij de bevolking als bij de politieke klasse de gedachte dat een nieuwe oorlog tot elke prijs moest worden vermeden. En hoe je het ook wendt of keert, dat maakt deel uit van het probleem. Bijna alle historici zijn het erover eens dat het voor Hitler over en out was geweest als het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk bij de militarisering van het Rijnland door Duitsland in 1936 waren opgetreden. Duitsland was op dat moment niet in staat om terug te slaan.


Hoe sterk stond Hitler in 1938, na de conferentie in München?


Nog altijd niet sterk genoeg, maar toch offerden de Britten en de Fransen Tsjechoslowakije op aan de gebiedshonger van Hitler. En waarom grepen ze niet in? Omdat de politieke klasse goed wist dat de bevolking geen oorlog wilde en niet het lef had om daar tegenin te gaan. Het is achteraf makkelijk praten, maar misschien hadden ze de Tweede Wereldoorlog kunnen vermijden als ze op dat moment bereid waren geweest om toch weer te gaan vechten. Ik ben het er niet mee eens dat oorlog altijd slecht is. Si vis pacem, para bellum. Ik denk dat oorlog soms absoluut noodzakelijk is.


Speelden de persoonlijke ervaringen van Hitler aan het front een rol?


Dat hij de nederlaag, de ontberingen en de desillusie had meegemaakt, verschafte hem zeker een symbolisch kapitaal. Zoals dat met oud-strijders meestal gaat: ze willen een nieuwe wereld creëren en dat valt vervolgens tegen. Goeie soldaten zijn niet altijd de beste politici. Aan het front leeft de idee dat het allemaal beter wordt als die hel voorbij is. Maar de wereld draait door en even snel sta je weer in de rij aan te schuiven voor een brood en ben je niet meer de held-soldaat, maar burger X of Y. Dat fenomeen speelde na de Eerste Wereldoorlog heel erg, in het bijzonder natuurlijk in de landen die in het verliezende kamp stonden. Maar ook in winnende landen zoals Italië en Japan was de teleurstelling groot: hebben we dáárvoor gevochten?


Ligt die teleurstelling in Duitsland aan de basis van de fameuze dolkstootlegende?


Mede. Toen de onvoorwaardelijke overgave werd getekend, was het Duitse keizerrijk al ontbonden. De militairen dachten dat het voor Duitsland beter zou zijn als er tijdens de onderhandelingen een ander regime aan tafel zat. De Weimarrepubliek bestond dus al vóór de wapenstilstand. Dat maakte het ook gemakkelijk om een verhaal te fabriceren, dat de geschiedenis inging als de dolkstootlegende. Vandaag zou je het fake news noemen, maar het ging erin als zoete koek. Het verhaal was dat Duitsland eigenlijk niet op het slagveld was verslagen, maar dat het leger een mes in de rug kreeg van linkse, communistische fracties die door Joden werden aangestuurd. Een soort judeo-bolsjewistisch complot. Zo'n complottheorie kan alleen werken als wat feitelijke elementen worden geïsoleerd en uit hun context gehaald. Duitsland was op dat moment ook bijzonder onstabiel, met revolutionaire toestanden in bepaalde steden en ook in het leger. Het neerslaan van de Spartacusopstand door de Weimarrepubliek in 1919 voedde ook dat soort verhalen. Voor Hitler was de dolkstootlegende de perfecte legitimatie om een binnenlandse vijand te creëren en zo het volk aan elkaar te smeden. Als hij in 1933 aan de macht komt is het antisemitisme een deel van zijn programma.


Dat is achteraf geen groot succes gebleken. Waren de geesten nog niet rijp?


Het idee van Wilson was dat mensen zelf moeten kunnen bepalen tot welk land ze willen behoren. De Eerste Wereldoorlog betekende immers niet alleen het einde van het Duitse keizerrijk, maar ook van het Russische tsarenrijk, het Habsburgse en het Ottomaanse rijk. Het territorium van die imperiums moest worden herverdeeld, maar het probleem was dat het stuk voor stuk veelvolkerenstaten waren. En de landen waarin ze werden opgesplitst, waren op hun beurt ook weer veelvolkerenstaten. De namen zeggen het al. Namen als Tsjechoslowakije of Joegoslavië, dat oorspronkelijk het Koninkrijk van Serviërs, Kroaten en Slovenen heette. Het Polen dat met het Duits-Russische Vredesverdrag van Brest-Litovsk ontstond, was niet homogeen Pools en al helemaal niet na de gebiedsuitbreiding ten koste van Pruisen. Heel Oost-Europa en de Balkan waren een lappendeken van volkeren, met overal grote Joodse minderheden. Een stad zoals het Litouwse Vilnius was half Joods.


Is dat ook de reden waarom de in 1919 opgerichte Volkenbond is mislukt?


Die is toch vooral mislukt omdat de Verenigde Staten er door interne politieke ontwikkelingen zelf niet aan meededen en zich terugtrokken in isolationisme. Europa moest weer zijn plan trekken, terwijl Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk het qua collectieve veiligheid ook nog eens onderling oneens waren. Een tweede probleem was dat de beslissingsstructuren niet goed in elkaar zaten en dat Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk de Volkenbond gebruikten om hun eigen - ook koloniale - belangen te behartigen. Duitsland werd uitgesloten en ook de Sovjet-Unie mocht niet meespelen, want dat was een paria - een schurkenstaat, zouden we vandaag zeggen. Het resultaat was dat de Volkenbond lang niet de hele wereld vertegenwoordigde en er ook niet in slaagde om conflicten op te lossen. Als Japan in Mantsjoerije agressie pleegde tegen China of als Italië Abessinië - het huidige Ethiopië - annexeerde, veroordeelde de Volkenbond dat wel, maar vervolgens zegden die landen gewoon hun lidmaatschap op en veranderde er niks. De mislukking van de Volkenbond neemt echter niet weg dat er in de marge van de organisatie instellingen zijn ontstaan die later door de Verenigde Naties werden overgenomen en tot op vandaag overleven, zoals Unicef en de Internationale Arbeidsorganisatie.


Wat betekende België nog in het interbellum?


Niet zo heel veel meer. Het was niet langer de belangrijke industriële mogendheid van vóór 1914. De economische impact van de oorlog voor ons land was groot en België werd als exportland ook bijzonder hard getroffen door de beurskrach en de economische crisis die erop volgde.


Albert I riep al snel een aantal economische en politieke kopstukken bij zich in het kasteel van Loppem. Was dat een meesterzet of een brutale fout?


Er waren er die hem beschuldigden van een staatsgreep: 'le coup de Lophem'. Dat verhaal kun je vergelijken met de Duitse dolkstootlegende, een mythe die een bepaalde groep in het leven riep. Maar eigenlijk werd in Loppem de democratie op poten gezet, zoals we die vandaag nog kennen. Albert I was de opperbevelhebber van het leger en hij keerde van de IJzer terug met het prestige van de koning-ridder. Die positie wilde hij in het naoorlogse België graag verzilveren. Hij wilde meer macht en daarom riep hij de powers that be bij zich: politici, bankiers, topmensen uit de vakbond, en zo verder. Het belangrijkste akkoord dat in Loppem werd gesloten, was natuurlijk dat er onmiddellijk een algemeen enkelvoudig stemrecht werd ingevoerd zonder dat het parlement al bij elkaar kon komen of zonder dat er een grondwetsherziening aan te pas kwam.


Waarom moest dat zo snel gaan?


Omdat het systeem op die manier ook de arbeidersbeweging aan zich kon binden. Er werd met bange ogen naar Duitsland gekeken, waar op dat moment de Spartacusopstand aan de gang was. Men wilde natuurlijk ook tot elke prijs een Sovjet-scenario vermijden. De Belgische Werkliedenpartij had dat enkelvoudig algemeen stemrecht nodig om zwaarder te wegen in het parlement: de partij werd meteen bijna even groot als de Katholieke Partij. Maar diegenen die Loppem als een 'coup' zagen, maakten daar natuurlijk dankbaar gebruik van. De koning had de socialist Emile Vandervelde tijdens de oorlog al gevraagd om minister zonder portefeuille te worden en in de naoorlogse tripartites namen socialisten ook ministerportefeuilles op. Dat bevestigde een deel van de rechterzijde in het idee dat er sprake was van een socialistische machtsgreep. Dat was het zaad dat gestrooid werd voor de verrechtsing van een aantal groepen, die het algemeen enkelvoudig stemrecht en de democratie niet accepteerden.


Liep de democratie in België op enig moment echt gevaar?


Nee, niet echt. Ook niet in de jaren 1930. Zelfs toen Léon Degrelle met Rex in 1936 op het toppunt van zijn macht stond, haalde antidemocratisch rechts nog altijd maar een kwart van de stemmen. Terwijl Rex toch de exponent was van de groep die Loppem nooit heeft aanvaard.


Speelde België tijdens het interbellum internationaal een rol?


België werd tijdens de oorlog de facto een bondgenoot van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Dat mondde na 1918 uit in een militair akkoord tussen België en Frankrijk om samen hun defensie te organiseren. De twee landen bezetten ook samen het Ruhrgebied, toen Duitsland zijn herstelbetalingen niet voldoende afloste. Maar op het moment dat Hitler in Duitsland aan de macht kwam en duidelijk maakte dat hij revanche wilde voor Versailles, werd dat akkoord met Frankrijk voor een goed deel van de Belgische politiek een blok aan het been. Zoals een groot deel van de bevolking vonden ze dat een neutraal, onafhankelijk België meer kans had om buiten een eventuele volgende oorlog te blijven. Zoals Nederland in 1914. We kennen de afloop. Daar zat opnieuw die idee achter: we gaan niet meer sneuvelen voor een internationaal conflict, waar we niet veel mee te maken hebben.


Had de opvolging van Albert I door zijn zoon Leopold III in 1934 invloed op de Belgische buitenlandse politiek?


Zoals zijn vader bleef Leopold III opperbevelhebber van het leger. Hij kon vanuit die functie op militaire allianties wegen. Leopold III wilde echt in de voetsporen van zijn vader treden en België onafhankelijk houden. Het is bij het brede publiek minder bekend, maar er speelde tijdens de Eerste Wereldoorlog ook al een koningskwestie. Albert ging ervan uit dat het land als een neutrale staat zijn internationale verplichtingen moest nakomen en dat het zijn grondgebied moest verdedigen. Dat dééd het ook achter de IJzer. Maar als Duitsland bereid was geweest om België te ontruimen, had het wat de koning-ridder betreft aan zijn verplichtingen voldaan. Het is bekend dat Albert aanstuurde op een vrede door vergelijk en dat hij geprobeerd heeft openingen te zoeken. Hij gaf het oppercommando over het Belgische leger pas in 1917 in geallieerde handen. Tot dan zag regeringsleider Charles de Broqueville zich verplicht tot een pendeldiplomatie tussen De Panne, waar de koning verbleef, en het geallieerde commando. Leopold III wilde net als zijn vader de onafhankelijkheid van België herstellen en daarom wilde hij af van het akkoord met Frankrijk. Maar als België in 1940 dan toch betrokken raakt bij de oorlog en Leopold bovendien tegen de wil van zijn regering in het bezette land blijft, zal hem dat na de oorlog zwaar aangerekend worden.


Terwijl de positie van Albert na 1918 toch nooit echt in het gedrang kwam?


Nee. Maar tijdens de oorlog zelf ging het er bij momenten ook wel hard tegen onzacht aan toe.


Albert ging gemakkelijk mee in de eis voor de invoering van het enkelvoudig algemeen stemrecht, maar de Vlamingen vingen in Loppem nog altijd bot.


Albert had geen bezwaar tegen een vernederlandsing van de Gentse universiteit, zolang er daarnaast in Gent maar een Franstalige universiteit bleef bestaan. De tweetaligheid van Vlaanderen was in zijn ogen noodzakelijk voor het voortbestaan van het koninkrijk. Toen Frans Van Cauwelaert zich daarover bij hem beklaagde, begreep hij wel dat er iets moest gebeuren. Maar politiek werd elke stap in de richting van de vernederlandsing door de Franstalige machten bijna opgevat als een voortzetting van de Flamenpolitik van de bezetter. Die Flamenpolitik werd al voor de oorlog in Berlijn bekokstoofd als een onderdeel van een geopolitiek plan om de Duitse invloedzone naar het westen uit te breiden ten nadele van Frankrijk. Aangezien het Nederlands een Germaanse taal is, ging Berlijn ervan uit dat er in Vlaanderen een pro-Duitse beweging op gang kon worden gebracht. De vernederlandsing van de Gentse universiteit in 1916 was een politieke meesterzet. Alles waar ze al vóór de oorlog hadden voor gestreden, kregen de flaminganten nu ineens op een dienblad aangeboden. Dat maakte het voor een aantal onder hen wel heel verleidelijk.


Maar niet voor allemaal. Niet alle flaminganten gingen daarin mee.


Integendeel. De meesten zegden: nee, niet doen! Frans Van Cauwelaert in de eerste plaats. Hij vond die universiteit van de bezetter een vergiftigd geschenk, en dat was een volkomen correcte analyse. De bevolking zou dit niet pikken. Duitsland was België op een barbaarse manier binnengevallen en had duizenden burgers afgeslacht. Honderdduizenden jonge mannen vochten aan het front tegen datzelfde Duitsland, terwijl het bezettingsregime op alle vlakken onbarmhartig en rücksichtlos was. De Belgen leden honger. Toch stapte een deel van de Vlaamse beweging mee in het Duitse plan. Een postje aan de universiteit was aantrekkelijk. Een hoogleraar was in die tijd nog een man met huispersoneel.


Frans Van Cauwelaert schreef tijdens de oorlog een Vlaams minimumprogramma. Waarom werd dat in Loppem niet gehonoreerd?


Van Cauwelaert was op dat moment met zijn Vlaamse Landsbond de centrale figuur in de Vlaamse beweging. De wettelijke vernederlandsing van Vlaanderen gold in zijn programma als het minimum om de maximalisten, die zelfbestuur wilden, aan boord te houden. De stepping-stone theorie: eerst maar eens dit, en daarna zien we wel weer verder. Maar Van Cauwelaert kreeg zijn minimum niet. De koning beloofde dan wel dat er in Gent een Nederlandstalige universiteit zou komen, maar het duurde nog tien jaar voor het zover was. De flaminganten die van het front kwamen en de Vlaamsgezinden die België trouw waren gebleven, hadden het gevoel dat ze stank voor dank kregen. Dat had ermee te maken dat het Belgische patriottisme heel francofiel werd ingevuld. Het separatisme dat tijdens de oorlog in een fractie van de Frontbeweging was gegroeid, werd verbonden met incivisme en Duits-vriendelijkheid. Die cocktail maakte dat er politiek geen beweging kwam in de vernederlandsing van Vlaanderen, terwijl dat op zichzelf natuurlijk niets met incivisme te maken had.


Verklaart dat waarom het tamelijk onbeduidende activisme tijdens de Tweede Wereldoorlog tot een veel grotere collaboratie leidt?


Zo groot was het allemaal niet. Tijdens de Eerste Wereldoorlog ging het om goed 50.000 mensen, op een bevolking van toen zo'n 3,5 miljoen Vlamingen. Het aantal collaborateurs tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt op ongeveer 100.000 geschat. Activisme is ook niet hetzelfde als collaboratie. De economische collaboratie, bijvoorbeeld, had niets met activisme te maken.

Kan er dan geen lijn worden getrokken van de Eerste naar de Tweede Wereldoorlog?

De Wever: De vernederlandsing van de Gentse universiteit was al vóór de oorlog een strijdpunt van alle Vlaamsgezinden, over de partijgrenzen heen. Dat die verzuchting na Loppem niet meteen werd gehonoreerd, gaf een separatistisch Vlaams-nationalisme zeker groeikansen. Maar opnieuw: er bestond al vóór 1914 een Vlaamse beweging die stukken autonomie wilde, maar die was nog niet separatistisch. Dat werd ze pas tijdens de oorlog en, zoals Lode Wils betoogt, was dat een gevolg van de Flamenpolitik. Het was de Flamenpolitik die het activisme meebracht en dat activisme ontwikkelde een separatisme dat ook naar een klein deel van de flaminganten aan het front oversloeg.


Hoe kon die Frontbeweging dan toch een politieke machtsfactor worden?


Dat dankte ze, onder meer, aan iemand zoals Cyriel Verschaeve. Je kunt van die man veel zeggen, maar hij had soms wel een geniale manier om dingen in een paar woorden te vatten, zoals in het vers dat nog altijd op de crypte van de eerste IJzertoren staat: 'Hier liggen hun lijken als zaden in 't zand, hoop op den oogst, o Vlaanderland'. Zo ontstond de mythe dat alleen de Vlamingen België aan de IJzer hadden rechtgehouden. Tachtig tot zelfs negentig procent van de troepen in de eerste linie zouden Vlamingen zijn geweest.


Ook weer fake news?


Wat we intussen zeker weten is dat die cijfers niet klopten. Het demografische onevenwicht ging over vijf tot zes procent van het totaal en was ook perfect verklaarbaar. Er konden in de Westhoek nu eenmaal meer Vlamingen worden gerekruteerd dan Franstaligen en er waren ook meer Vlamingen dan Walen in Nederland en Frankrijk. De mythe wilde ook dat die Vlamingen de vuurlinie werden ingestuurd omdat ze de Franstalige bevelen van hun officieren maar half begrepen en men ze liever kwijt dan rijk was. Dat is allemaal aaneengesmeed tot één krachtige, anti-Belgische mythe die wou dat de Vlamingen door een ondankbaar vaderland bedrogen werden en dat hun daarom maar één mogelijkheid overbleef: de Vlaamse onafhankelijkheid.


De Frontpartij brak electoraal toch niet meteen grote potten?


Nee. Ze haalde bij de verkiezingen in 1919 slechts een paar verkozenen. Maar er zat duidelijk wel rek in. De Vlaamse frustraties vermengden zich vervolgens geleidelijk met maatschappijkritiek: we moeten niet alleen België kwijt, maar ook de democratie, want die verdeelt het volk en dat is slecht voor de Vlamingen. Zo sijpelde er geleidelijk een fascistisch discours in de retoriek. Joris Van Severen was de eerste die duidelijk stelde dat er een revolutionaire voorhoede nodig was. Er was voor hem maar één weg: die van de revolutie en het geweld. Het ging ook niet meer om een onafhankelijk Vlaanderen, maar om Dietsland - de aanhechting van Vlaanderen bij Nederland. Ik denk dat Van Severen het antibelgicisme naar Dietsland omboog om zo een ideaal te formuleren dat niet langs de normale parlementaire weg gerealiseerd kon worden. Meer gematigde Vlaams-nationalisten, die in afwachting van een onafhankelijk Vlaanderen desnoods vrede wilden nemen met een federalisering van België, werd op die manier de pas afgesneden. De echte basis van de collaboratie wordt gelegd in 1933, wanneer met het Vlaams Nationaal Verbond een partij van fascistische obediëntie wordt opgericht, die zich steeds verder zal afwenden van de democratie. En met de Duitse bezetting doet zich dan een nieuwe kans voor als Hitler een nieuwe Flamenpolitik afkondigt. Dat moet Vlaams-nationalistische, fascistische leiders zoals Staf De Clercq natuurlijk als muziek in de oren hebben geklonken.


Hoe moeten we het populisme vandaag inschatten? Is het even gevaarlijk als in de jaren 1930?


Er wordt weer gesproken over perfide media, wereldvreemde rechters en intellectuelen die sowieso moeten worden gewantrouwd. Er is nu sprake van een zogenaamde 'illiberale democratie' die de democratie nog wel accepteert, maar niet meer alle democratische waarden. Je kunt dat verontrustend vinden, maar in tegenstelling tot de jaren 1930 is er vandaag geen alternatief maatschappelijk model. Het fascisme had een klaar en duidelijk idee: het zou de partijen en het parlement afschaffen; daarvoor in de plaats moest een eenpartijstaat komen met een Leider, die alle kaarten deelt. Andere mensen keken dan weer met bewondering naar het marxisme en de Sovjet-Unie. Dat soort alternatieven is er vandaag niet. Bovendien kende de samenleving van de jaren 1930 nog weinig sociale bescherming en is de middenklasse van vandaag ook niet meer die van het interbellum. Ze lijkt me voorlopig nog niet vatbaar voor politieke avonturen. De verschuiving tussen partijen zoals CD&V en N-VA is toch van een andere orde dan die in de jaren 1930 in de richting van Rex of het VNV. Partijen aanvaarden in ons land vandaag nog altijd hetzelfde maatschappijmodel. Maar met wat er op wereldschaal met iemand zoals Donald Trump gebeurt, ben ik niet klaar. Dat weet ik zo nog niet.


A.F.Th. van der Heijden

Bijna 9 jaar na de dood van zijn zoon Tonio: "Er is zelden nog totale wanhoop”

Interview Marnix Peeters - De Morgen



A.F.Th. van der Heijden heeft een nieuwe roman uit, Mooi doodliggen, over een journalist die zijn eigen dood in scène zet en daar de behoorlijk gestoorde gevolgen van moet dragen. Het boek komt er veertig jaar na Van der Heijdens debuut, en belangrijker: bijna negen jaar na het overlijden van Tonio, de toen 21-jarige zoon van de schrijver en zijn vrouw Mirjam. “Alles wat ik nu doe, is voor hem.”


Mag je spreken van de grootste levende schrijver uit het Nederlandse taalgebied? Ja, wie anders, als het Van der Heijden niet is? Zijn requiems, zijn cycli, De tandeloze tijd voorop, zijn verbluffende virtuositeit, en altijd dat juiste vlechtsel van literair en levend, van verzinsel en waarheid, van autobiografie en fantasie.


Drieënveertig titels al.


Hij woont in de Museumwijk in Amsterdam, vlak achter het Concertgebouw, en goed twintig jaar na mijn eerste interview met hem heeft hij me nog eens bij hem thuis uitgenodigd. Tonio staat er nog altijd bij op de bel – als je zo jong sterft, ga je nooit dood.


Ik ben een kwartier te vroeg, en Adri moet daardoor nog wat paperassen van zijn werktafel ruimen, hij was alvast maar snel even aan het uitzetten van een nieuwe roman begonnen, zegt hij. Ik geloof hem – hij zal straks uitleggen dat hij wel vijftien van die kanjers van hem tegelijk in het vet heeft liggen, in verschillende stadia van afwerking.


Hij is nu 67.


Ik durf niet te vragen hoe het met zijn gezondheid gaat. Hij is nog wat verkloekt tegen de vorige keer. Het is eigenlijk een klein wonder dat hij nog lééft – hij zal straks uitleggen hoeveel dat maar heeft gescheeld, na het fietsongeluk van zijn enig kind. “Op een bepaald moment leek het ons gewoon eerlijker om samen met hem ten gronde te gaan.”


En we gaan het over fake news hebben, ook een thema in Mooi doodliggen.


Uw hoofdpersonage voorspelt in Mooi doodliggen een oorlog tussen de toeristen en de burgers, in Amsterdam. De toestand in uw stad is, zo heb ik tijdens de wandeling hiernaartoe kunnen vaststellen, inderdaad uit de hand aan het lopen.


Van der Heijden: Mirjam en ik waren altijd grote binnenstadgangers, maar nu niet meer. Er is veel plezier verloren gegaan in deze hufterige tijden. De onbeschoftheid, joints roken op straat, twintig halfdronken Britten die naar een prostituee staan te brullen... Je vraagt je toch af hoe zo’n meisje zich daarbij moet voelen. Het is totaal verloederd.


Het is nog niet tot deze wijk doorgedrongen, maar het scheelt niet veel. Je hoort de mortieren knallen, de oorlogslinie komt dichterbij. Je kunt de ro¬koffers al horen op de stoepen.


Café Welling, dat vaak in uw geschriften opduikt, is nog gevrijwaard.


Ik kom er niet zo vaak meer. Sinds Tonio ons ontviel, heeft de horeca van Amsterdam niet zo veel meer aan ons. Ook in café De Zwart (dat in ‘Asbestemming’ voorkwam, red.) zien ze me niet meer. Mijn vriend Dick Matena, die gaat er nog een paar keer per week om een kopje thee. Hij zegt dat het een doorgangshuis voor toeristen is geworden.


Maar u bent dus weer druk aan het schrijven.


En aan het publiceren, gelukkig. Ik zit weer op het oude nest, Querido. Sinds het conflict met De Bezige Bij, twee jaar geleden, loop ik met veel dingen achter. Zaken hopen zich op, ik moet nu publicaties kwijt. Meteen na de zomer komt er opnieuw een groot Tandeloze tijd-deel.


Het lijkt me heerlijk om zo’n levenswerk te hebben, u bent er al 35 jaar aan bezig. De koning van.


Ja, het was ooit bedoeld als trilogie, en nu zijn er al zeven delen. Juul Deelder riep het ooit in een van z’n shows: ‘Zeven boeken, en de trilogie is nóg niet af!’ (lacht)


U kennende zál het ook nooit afgeraken.


Het zou kunnen dat het een open einde krijgt, ja. (lacht) Maar het is wat u zegt: hoogst plezierig. Iets wat met je meeleeft. Albert Egberts (het hoofdpersonage in ‘De tandeloze tijd’, red.) is vaak beduidend jonger dan ik, maar ik heb nu al gedeelten liggen dat hij van mijn leeftijd is. De ijzeren man, het deel dat over twee jaar moet verschijnen, is een oorlogsgeschiedenis uit de Noord-Brabantse gemeente Geldrop, en dan is Albert nog lang niet geboren. Maar de geschiedenis komt pas aan het licht in 2012, en dan is hij al boven de zestig.

De val van de Muur zit ertussen, er speelt katholiek misbruik op de achtergrond.


Toen ik eind de jaren 70 aan De tandeloze tijd begon, was dat het opzet: de wederwaardigheden van Albert Egberts vertellen, met op de achtergrond een tijdsgeschiedenis. En soms wordt Albert opgeslokt door die omstandigheden, komt hij in het actuele leven van Amsterdam terecht. In de krakerswereld bijvoorbeeld, in De slag om de Blauwbrug, als hij aan de heroïne zit en stoeptegels in de wieken van laagvliegende heli’s wil gooien.


Herinnert u zich nog hoe u er destijds aan begon?


Ja. Het uitgangspunt, het eerste beeld, was dat van een schaar waarmee Albert Egberts auto’s openbreekt. De beeld van een hand vervlochten met een open schaar: daar begon alles mee. De eerste zin was ooit: ‘Ik verzamel scharen.’


Hebt u wel eens heimwee naar het beginnende schrijverschap? De onbespotenheid, de onzekerheid, de afwezigheid van dat kolossale oeuvre?


Ja, zeker. Het idee dat het nog alle kanten op kan. Elk mens verzucht toch wel eens: als ik het allemaal kon overdoen, dan zou ik het beter doen. Dat heb ik wel met schrijven: hoe zou het eruit hebben gezien als ik het kon overdoen? Zou ik dan dezelfde weg kiezen, of juist een andere? Zou ik, met de wetenschap van hoe het mij vergaan is, zeggen: ik schrijf niet meer van die grote wijdvertakte boeken, ik ga elke vier jaar een novelle van 120 pagina’s publiceren, heel ingedikt?


Maar veel spijt komt daar niet bij kijken, nee. Ik ben niet zo snel tevreden over mezelf, ik vind dus dat ik sommige dingen nog wel anders had kunnen aanpakken, maar dat is achterafgeklets. Men vond nú al geregeld dat ik te veel tijd nam om het best mogelijke boek af te leveren. De tandeloze tijd 3 is op het eind nog eens een heel jaar uitgesteld, omdat ik vond dat een paar hoofdstukken nog niet helemaal uit de verf kwamen. Dat was prijsschieten voor journalisten, natuurlijk. Wat een opgeklopt gedoe!


Dat kleeft wel wat aan u: dat u een beetje een pretentieuze schrijver bent, zo een die graag z’n lezers wat jent.


Het is me vaak voorgehouden, dat idee van: Van der Heijden maakt zijn boeken niet af. Ik heb daar lang over nagedacht: wat is mijn probleem? Ik heb boven inderdaad vijftien manuscripten liggen die in enig stadium van voltooidheid verkeren. Wat is er met mij aan de hand? Want ik werk áltijd, en inderdaad zijn er manuscripten die er al twintig jaar liggen, en ze zijn nog niet af.


Het kernboek van Homo duplex, waar ik in 1997 aan begonnen ben, daar heb ik vorig jaar voor het eerst sinds heel lang aan gewerkt. Het ene boek wordt de pas afgesneden door een volgend project, en dan ben ik daar weer aan verslingerd.


U schrijft nog altijd met de hand?


Ja. En ik tik vervolgens die aantekeningen uit op een elektrische typemachine. Ik verzamel alles in ordners, hele dossiers. Die staan keurig in een branddichte archiefkast.


Ik zou gek worden: al die tienduizenden pagina’s, en geen cloud.


De schrijver Armando, die bij een brand een groot deel van zijn oeuvre verloor, zei heel opgewekt: dat ruimt lekker op! Misschien moet ik die laconieke houding ook maar overnemen. (lacht) Nee, als ze dit op de uitgeverij horen, zeggen ze: mogen we dat spul niet gewoon foto-kopiëren en bij ons neerleggen?


Kom, jij gaat de gang op”, zegt Adri van der Heijden, en hij pakt me de harige Noorse boskat van de schoot die zich daar voor de zoveelste keer verzaligd spinnend heeft geïnstalleerd. “Je kunt ook té aanhankelijk zijn.


Mirjam is een griepprik gaan halen, maar ze heeft een thermos met thee achtergelaten, en op de terugweg brengt ze bier mee uit de Gall & Gall. We hebben het over Asbestemming, het requiem dat hij voor zijn vader schreef, waaruit ik even geleden een stukje voorlas in het Canvas-programma Winteruur. En van bij de vader is het maar een steenworp tot bij de zoon.


Hoe is het met uw verdriet?


Ik zou bijna zeggen: dat is er gelukkig nog in vol ornaat. Ik wil het ook niet missen, maar daar hoef ik niet echt mijn best voor te doen.


Mirjam en ik hebben het ons wel eens serieus afgevraagd, toen het verdriet nog vers was: we missen hem zodanig, en die arme jongen heeft alleen maar school gedaan, is nooit aan het echte leven toegekomen... Is het niet eerlijk als wij alsnog samen met hem ten gronde gaan? Hoe dat er dan zou moeten uitzien, was niet duidelijk – je moet wel héél veel drinken om daaraan het leven te verliezen.


Maar we hebben uiteindelijk tegen elkaar gezegd: dan maar hard aan het werk. Dat het dáárin gaat zitten.


U doet het gemakkelijk klinken, maar dat was het vast niet. Die drang tot zelfvernietiging annuleren.


Er bestaat ook zo’n vernietiging in overdrachtelijke zin. Dat je je leven op een andere manier offert, in plaats van zelfmoord te plegen of jezelf dood te drinken. Er is een cesuur, die jongen is er niet meer, nou, dan staat ons leven verder in dienst van hém. Dat is ook een manier van vernietigen, want daarmee werp je vele barricades op naar prettige bezigheden die je normaal wél had. Feesten, uitgaan, heel veel met mensen omgaan: dat hebben we allemaal behoorlijk afgesloten.


U leek op een moment vastbesloten om nooit meer te schrijven.


Dat is bij me opgekomen. Dat staat ook zo in Tonio. Ik was twee dagen na die fatale pinksterdag dingen gaan opschrijven, gewoon om ze vast te houden, niet met het idee om er een requiemroman van te maken. Toen die er toch kwam, heb ik nog wel een moeilijk weekje gehad: ik heb dit nu gedaan, moet ik nu gewoon weer mijn stiel oppakken zoals ik altijd gewend was, of is het hiermee afgelopen?


Heeft zijn dood uw leven zinloos gemaakt?


Niet zinlozer dan het al was. Ik ben niet iemand die zegt: het leven had zin voordat Tonio ons ontviel. Daarvoor was ik me er ook van bewust dat het leven in essentie geen zin heeft. Als je daarvan overtuigd bent, kun je twee kanten op: dan heeft geen enkele bezigheid meer betekenis, dan kan ik beter op de bank gaan liggen en de tijd over me heen laten vloeien, of je kunt zeggen: binnen die zinloosheid kan ik nog altijd wat zin schéppen, voor persoonlijk gebruik. Door het bestaan in kunst te vangen.


Krijgt verdriet ook een warme kant? Als je beseft dat het nooit meer weggaat, en dat je het maar beter geen akelige gezel kunt laten zijn?


Ja. Daar hebben Mirjam en ik ook voor gekozen. Op gezette tijden kruipen we naast elkaar op de bank, en dan gedenken we Tonio. Daar hoort een glas bij, maar vooral veel gepraat. Om hem te heroprichten. Ik merk vaak heel veel verdriet bij Mirjam. Dat is er bij mij ook, maar bij haar is het gemakkelijker te merken.


Het hele proces heeft iets troostends. Het is zelden nog totale wanhoop. Die was er in het begin wel. Je bent je zoon kwijtgeraakt, je wordt ’s nachts wakker, en héél even is er een aangename echo van de droom waar je net uitkomt, en dan is er elke keer weer die gedachte die dwars door je heen slaat: hey, hij is er niet meer. Het is wáár, ik heb het niet gedroomd.


U was een geoefend drinker. Hoe schakel je de drang naar de drank uit?


Dat viel mee. Alleen in het begin waren we nogal kwistig. Pijnstillers on the rocks, noemde ik het. Maar het werkt maar zolang als het duurt, en daar zijn we in elk geval niet aan ten gronde gegaan.


Wie vindt een kater op zijn tijd niét lekker? Dat hééft ook wel iets lekkers. Je krijgt een soort van poreus brein, waardoor de taal gemakkelijker vloeit. Waardoor je aan het eind van de middag mooie regels op papier krijgt, wanneer de kater begint weg te trekken.


Het idiote is dat ik in de maanden na Tonio’s dood geen katers meer kon ontwikkelen. Ik drink meestal gin-tonics en vervolgens ga ik over op de wodka, maar het lukte mij niet om katers te ontwikkelen. Net alsof iets in mij zei: wacht eens even, we hebben nu te maken met die ene, grote, wereldomspannende kater die de dood van Tonio is, dan ga ik toch niet knullig een katertje bij mezelf zitten verwekken. Dat verdampte als een druppel op de gloeiende plaat, het grote verdriet.


Mooi doodliggen gaat over de onblusbare menselijke wens om getuige te mogen zijn van je eigen dood, je eigen uitvaart.


Dat is de kern van het boek. De gedachte: ik zou er zelf bij willen zijn. Wat hebben ze in hun toespraken over mij te melden, wie zullen er zijn en wie staat er gewoon over de beurskoersen te praten binnen gehoorsafstand van de dode?


Moerasjko is een journalist die zijn eigen dood in scène heeft gezet, maar die in feite alleen maar schijndood is. Hij leeft nog, maar hij geldt voor de hele wereld als dood, en dat heeft consequenties voor zijn gedachten, voor hoe hij zichzelf ziet. Hij weet dat als hij tevoorschijn komt, de mensen steil achterover zullen slaan. Maar hij heeft ook verkeerde gedachten over hoe zijn wederopstanding zal vallen: hij gaat uit van de foutieve gedachte dat zijn vrouw om hem treurt, en dat ze een blije glimlach tevoorschijn zal toveren als hij weer levend wordt.


Wat bepaald niet het geval is.


Neen. (lacht)


Heel lang geleden was ik in San Leone, in Sicilië, op het strand, toen daar een Siciliaanse vrouw haar zoontje miste en ervan overtuigd was dat hij verdronken was. Ze was hysterisch, ze rukte zich los en stortte zich in de golven, het was een echte Siciliaanse tragedie. Toen kwam iemand aanzetten met dat zoontje, dat gewoon verderop aan het spelen was geweest. Het was gênant om te zien met wat voor geweld die vrouw op dat jongenskopje inramde. Andere vrouwen stonden daar volkomen begripvol omheen: zo deed je dat.


De roman draait ook om fake news. Iets van deze tijd, zeggen ze, maar heeft Trump het beest niet gewoon een naam gegeven?


Herodotus, de grote Griekse geschiedschrijver, sloeg er ook maar een slag naar. Je kunt niet verwachten dat in die tijd geschiedschrijving helemaal gescheiden was van mythologie. Gaandeweg zijn de feiten steeds meer gescheiden geraakt van de mythologie, is er een vorm van journalistiek ontstaan. Tot nu. Nu is er weer een keerpunt, en worden feiten weer schaamteloos aan mythes gekoppeld. Door degenen die daar baat bij denken te hebben, zoals Trump met z’n inauguratie. Er verschijnen feitelijke foto’s van hoe leeg die pleinen zijn die hij graag vol had zien staan, en hij zegt: ze stonden wel degelijk vol en wie iets anders zegt, die zit ernaast.


Dat hele nepnieuws, dat door Rusland als geen ander land wordt uitgedragen, is voor hen gewoon een oorlogsmiddel. Die strategie van leugens was er onder de tsaar ook al, in de negentiende eeuw. Wat dat betreft is er niets nieuws onder de zon. Alleen: in de tsaristische tijd kon je niet bevroeden dat er ooit in Sint-Petersburg een trollenfabriek zou worden opgericht om de boel wereldwijd te manipuleren. Als je goed kunt relativeren is dat amusant, zo’n trol, maar je hebt natuurlijk veel mensen die graag in het complot gelóven.


Hoe verleidelijk ze ook zijn, complottheorieën. Het idee dat niets zomaar gebeurt, dat er overal machinaties zijn, cijfers en stramienen en parallellen. Het maakt de dingen overzichtelijker. Het is een soort van troost.


Juist. En daarom zeg ik: we zijn misschien wel teruggekeerd naar de tijd van de mythen. Het Oedipusverhaal – je slaat je vader dood en je beslaapt je moeder – moet ooit door veel oude Grieken als de waarheid zijn ervaren. Ze hadden het toch zelf gehoord! Zoals ooit Van Kooten en De Bie op tv waren, in de Donald Duck lezend. Van Kooten: ‘Zou het nou waar zijn dat Hiawatha dat en dat heeft gedaan met het opperhoofd?’ De Bie: ‘Het staat er toch!’ (lacht)


In Mooi doodliggen gaat het ook over de door de Russen gelanceerde theorie dat het neer-halen van vlucht MH17 (op 17 juli 2014 stortte boven oorlogsgebied in Oost-Oekraïne een lijntoestel met 298 inzittenden neer dat van Amsterdam naar Kuala Lumpur vloog; er waren geen overlevenden, red.) opgezet spel was. De Nederlanders zouden hun lijkenhuizen hebben leeggehaald en de doden aan boord van een vliegtuig hebben gelegd, en dat dan tot ontploffing gebracht...


Waarbij je je moet afvragen welke drommel er dan aan de stuurknuppel zat... Je zou toch bijna jaloers worden op zo’n Russisch volk dat en masse wenst te geloven in zo’n krankzinnige voorstelling van zaken, want dan moet je bijna concluderen: de gemiddelde Rus is literair bevattelijk.


Meer dan wij?


Wij vormen geen volk dat minder roddelt dan andere volkeren, en roddelen verraadt een literaire toegeneigdheid. De verbeeldingskracht van mensen komt pas goed op gang als ze kunnen kwaad¬spreken over een ander. Daar zijn mensen op hun creatiefst: als ze een ander in een kwaad daglicht kunnen stellen, en hopen dat het ook nog eens schade berokkent. Dan heeft kwaad¬sprekerij de kracht van de literatuur.


Is de neiging van sommigen om dingen te herbenoemen ook niet een vorm van fake news? Ik had laatst zo’n akkefietje met Arjan Peters (literatuurcriticus van ‘de Volkskrant’, red.), die het onbetamelijk vond dat ik het woord ‘Turk’ in een verhaal had gebruikt. Over een Turk.


Het bannen van woorden? Dat valt eronder. Bij uitgeverij Singel zijn ze boeken van James Baldwin aan het heruitgeven, de negeractivist, ik zeg met opzet ‘neger’. Baldwin heeft het heel vaak over de neger, wat iets anders is dan ‘nigger’, maar nu wordt de redacteur geacht daar een kruis bij te zetten, wat betekent dat er een ander woord voor moet worden bedacht. Zo schaad je dus de oorspronkelijke tekst van Baldwin. Waar houdt dat op?


Ik hoor de laatste tijd steeds vaker ‘persoon (m/v/x) uit Sub-Saharisch Afrika’ gebruiken.


Ja, dat zit al helemaal niet lekker. (lacht) Het loopt uit de hand. Ik zei het deze zomer al tegen Mirjam: als die #MeToo wat geluwd is, gaan ze literaire boeken aanpakken waarin seksuele handelingen met vrouwen beschreven staan. Dan wordt er een nieuwe hashtag in het leven geroepen tegen de literaire verwerking van geslachtelijkheid.


Het is me al enkele keren overkomen, beschuldigd worden van het neerbuigend over vrouwen schrijven. Ik moest het stukje in een van mijn boeken opzoeken, het was een personage dat op een prostituee reageert. Ik sluit niet uit dat de dag komt dat er geëist wordt dat zoiets wordt aangepast.


In De tandeloze tijd 3 zit een scène met een verwijzing naar Alle Turken heten Ali, de film van Rainer Werner Fassbinder, waarin iemand het bij wijze van grove grap over ‘soepjurken’ heeft. Arjan Peters was in 1996 heel geporteerd voor dit boek – nu zou hij dus moeten vinden dat het herschreven moet worden.


Gaat u bewust of onbewust de soepjurk mijden?


Ik doe niet aan zelfcensuur. Mocht het zover komen, dan ga ik daar tegenin schrijven. Dan ga ik niet zeggen: die arme meisjes en vrouwen zijn in de loop der eeuwen in de literatuur zodanig afgeschilderd dat mannen in de werkelijkheid zich ook niet inhouden, ze worden er door de literatuur toe aangezet om vrouwen op z’n minst na te fluiten.


Als ik de producent van House of Cards was geweest, ik had gezegd: pak in het nieuwe seizoen zo’n geval nu eens aan, pak Frank Underwood aan wegens daden die Kevin Spacey bij benadering gepleegd zou hebben. Stel dat aan de kaak, maak er spannende tv van. Maar Spacey werd zonder vorm van proces aan het kruis genageld en geschrapt – dat is nu onze beschaving. Het is goed dat de bezem erdoor wordt gehaald, maar dit is hysterie.


Ik hoor op de radio geregeld kerkmuziek van Carlo Gesualdo (1566-1613, red.), een componist die menstruatiebloed dronk terwijl hij heel zedige muziek schreef, en uiteindelijk zijn vrouw en haar minnaar vermoordde. Moet die eens niet in de ban?


Thérèse dreaming (van Balthus, 1938, red.), dat prachtige schilderij van dat dromende meisje, met wat vage erotiek erin: er is wereldwijd discussie of dat wel in een museum mag hangen. Verlaine schoot zijn revolver leeg op Rimbaud. Kan die poëzie nog wel in herdruk? We zitten zo qua cultuur al gauw op het peil van de Russen – als je daar in een film in overdrachtelijke zin kritiek hebt op het Kremlin, mag hij niet vertoond worden.


Gerrit Komrij schreef een gedicht na de moord op Pim Fortuyn. ‘En de zittende machthebber oefent voor de spiegel het woord ‘geschokt’, kwam erin voor, wat door de toenmalige premier Wim Kok als ‘zeer kwetsend’ werd betiteld. Hij heeft er niets tegen ondernomen, maar het is niet denkbeeldig dat men straks zegt: laat die dichters maar mooi gedichten schrijven, maar niet tegen ons, van de politiek.


Er wordt flink aan onze vrijheid gemorreld. We moeten waakzaam zijn.


De Morgen

Marnix Peeters


Marc Van Ranst

Hoogleraar virologie aan de Katholieke Universiteit Leuven.


Staatssecretaris Theo Francken (N-VA) tweette “Wij zijn in crisismodus”, en gaf het bevel om slechts maximaal 50-60 nieuwe asielaanvragers per dag toe te laten in de lokalen van de Dienst Vreemdelingenzaken in plaats van de gebruikelijke 100-110 per dag.

Dinsdagvoormiddag werd een loket gesloten omdat een asielaanvrager baldadig reageerde op een loketbediende, en worden alleen vrouwen en gezinnen met kinderen tot de loketten toegelaten.


Sinds vorige donderdag werden dus meer dan 100 asielzoekers letterlijk en figuurlijk wandelen gestuurd. Deze 100 mensen hebben geen recht op bad-bed-en-brood en moeten noodgedwongen overleven op straat. Dit is cynisch, want het is net Francken die over transmigranten altijd zegt “dat ze dan maar asiel moeten aanvragen, en dan krijgen ze bad-bed-en-brood.


Francken verantwoordt deze harde maatregel door te stellen dat de bezettingsgraad in de opvangplaatsen verzadigd is. Wat Francken er niet bij vertelt is dat hij zelf welbewust, en tegen alle waarschuwingen in, het netwerk aan opvangplaatsen sinds 2016 afgebouwd heeft tot onder wat noodzakelijk is.


Dit is dus een crisis die met voorbedachten rade zelf door Francken gecreëerd en geënsceneerd werd. Een vraagje: vanaf hoeveel doodgevroren asielzoekers gaan we dit een probleem vinden. Eén? Vijf? Tien? Of trekken we er ons normen- en waardengewijs, de kerstsfeer indachtig, voortaan nougatbollen van aan?


Xenofobe sfeerschepperij


De asielzoekers die gedwongen worden om in Brussel te overleven gaan van het Maximiliaanpark naar het Noordstation, omdat het daar ’s nachts warmer is om te kunnen slapen. Dit geeft de N-VA-politici de gelegenheid om nog wat meer te klagen over de ‘overlast’ die deze mensen veroorzaken.


Vlaams Parlementslid Annick De Ridder (N-VA) vindt het “aberrant” dat aan de transmigranten “oogluikend” eten wordt gegeven op deze “aanzuigplek” of dat door vrijwilligers nachtopvang wordt georganiseerd.


Via De Lijn speelt voogdijminister Ben Weyts (N-VA) ook zijn rolletje in de xenofobe sfeerschepperij, en hij laat De Lijn, zonder ruggespraak met het Brussels Gewest, de begin- en eindhalte van 30 buslijnen van het Noordstation verhuizen naar respectievelijk het Rogierplein en de zijkant van het station omwille van de vluchtelingen die de “veiligheid en hygiëne van de reizigers en chauffeurs in het gedrang brengen”. Op die manier hoopt N-VA dat zij de bevolking kan laten denken dat vluchtelingen vies en gevaarlijk zijn.


Als ware Vlaams-nationalistische Francis Ford Coppola’s regisseren de N-VA-politici hun eigen ‘N-VApocalypse Now’ met de vluchtelingen in de rol van de slechteriken en de N-VA’ers als de kruisvaarders van de verlichting.


Zij zullen tussen nu en mei 2019 er alles aan doen om het migratiethema vierkant vooraan op de agenda te laten staan. Op die manier hopen ze een rookgordijn te kunnen optrekken om het lamentabele sociaaleconomische bilan achter te verstoppen. Echter, de rook is te dun, en het regeringsdebacle te dik.


Beste N-VA-politici, we hebben jullie spelletje door. Jullie zijn helemaal niet in crisismodus, jullie zijn, zoals eigenlijk altijd, in verkiezingsmodus.


Marc Van Ranst

De Morgen



Geert Van Istendael

Auteur in Mondiaal Nieuws


Eén van mijn medeburgers in het dorpje waar ik mij december vorig jaar vestigde, is een Afghaan. Een vluchteling die hier asiel zoekt en hij heeft een zoon mee kunnen brengen. Zijn naam is Aziz Heidari, zijn kind heet Ali. Zoiets als Piet en Jan dus, maar dan op zijn middenoostens. De twee wonen hier een jaar of drie. Langer dan ik.


Mijn medeburger spreekt passabel Nederlands, hij heeft ijverig taallessen gevolgd.


Zijn zoon, ach, u weet hoe dat gaat met kinderen. Eerst ging hij naar de lagere school hier om de hoek. Ouders van klasgenootjes brachten hem Nederlands bij, één op één, dan maak je snel vorderingen. Hij speelde basketbal en daarna schakelde hij over op voetballen.


Sjotten. Zo herkenbaar. Mens, wat heb ik zelf gesjot toen ik een jaar of twaalf, dertien was. Als een gek achter een bal aandraven, blijkbaar kunnen de ketten het nog altijd niet laten. Waarom zouden ze ook? Voor ik het vergeet, Ali zit bij de padvinders. Nog iets wat de snotapen al sinds mensenheugenis niet kunnen laten, door de bossen hossen. Was ik niet zo oud en stijf, ik zou meehossen.


Het joch is nu al veertien, hij gaat naar de middelbare school. Vader werkt in de supermarkt. Ja, in dit gezegende dorp hebben we een supermarkt, een bloeiende zaak, je ziet er voortdurend medeburgers tussen slaolie, koffie en zeep laveren of anders staan ze stil, verdiept in belangrijke gesprekken met andere medeburgers. Dat het dorpsgenoten zijn, hoor ik aan hun taal, verwant met mijn vertrouwde Brussels, maar toch heel anders. Je hoort er ook Frans, want wij wonen op de taalgrens. Ma of pa van een klasgenoot van sjottende zoon heeft vader Aziz voorgesteld aan de baas van de supermarkt en die gaf hem meteen werk. Ik heb Aziz eens uit een ooghoek gezien, toen ik weer eens melk en bier moest inslaan. Niks bijzonders. Een doodgewone meneer die rekken vult.


Even samenvatten.


Nederlands spreken. Eerlijk werk. Kind naar school en jeugdbeweging. Hoe noem je zoiets? Juist. Integratie.

En laat het nu net dát zijn wat Vreemdelingenzaken hem kwalijk neemt.


Vreemdelingenzaken wil namelijk mijn dorpsgenoot terugsturen naar Afghanistan. Verslik u niet, waarde lezer, in mijn dorp hebben er zich al velen verslikt. Het dossier van vader en zoon bevat een reeks verhalen – het juiste woord is, geloof ik, getuigenissen – van de bakker, de mensen van de supermarkt, de padvinders, de mensen van de school en veel anderen, zelfs plaatselijke politici, maar dat is allemaal van geen tel. De asielaanvaag wordt afgewezen, hoger beroep wordt verworpen, regularisatiedossier ofte asielaanvraag om humanitaire redenen krijgt een negatieve beoordeling. De argumentatie van Vreemdelingenzaken is grondstof voor absurdistisch theater. Ionesco, Adamov of Dürrenmatt hadden er dankbaar gebruik van kunnen maken. Over Kafka zal ik het maar niet hebben.


De logica van Vreemdelingenzaken gaat zo.


Een kerel die vlotjes werk vindt in een Vlaams dorp, kun je die wel vertrouwen? Zo’n handige bliksem, zo’n linkmichiel, zo’n ladelichter, knopendraaier, triefelaar? Die plantrekker zal vast geen enkel probleem hebben om zich in aan te passen, daar in Afghanistan.


Aldus de logica van Vreemdelingenzaken.


Dus. Je integreert volgens het boekje. Hoera, da’s een goeie reden om je het land uit te gooien.

Stel even, mijn dorpsgenoot had geweigerd Nederlands te leren en hij was koppig een of ander baardig geloof blijven belijden. Hoera, da’s een goeie reden om hem het land uit te gooien.


Simpel, niet?


Kop of munt, doet er niet toe, je wordt eruit gekukeld.

Dat de man, ja, vader dus, al meer dan twintig jaar niet meer in Afghanistan is geweest omdat zijn ouders al op de vlucht sloegen voor de taliban, doet er niet toe.


Dat de zoon nooit één voet heeft gezet in Afghanistan, dat het jong intussen meer Belg of Vlaming is dan iets anders, doet er niet toe.


Ha ja, asielzoekers, dat weet je toch, dat integreert hier nooit. Dus weg ermee!


Maar hela, hola, Vreemdelingenzaken, wacht even. bedenk: deze meneer, officieel werk, Nederlands, deze jongen, school, Nederlands, padvinders! Blijkbaar zijn wij, dorpsbewoners, een stelletje naïeve koorknapen. Ja, naïef, dat zijn we. Je bent naïef als je durft te verwachten dat Vreemdelingenzaken een beetje zindelijk redeneert.

Nee dus.


Ik ben niet erg sentimenteel van aard en mijn kop is helder, voorlopig toch nog, maar dit vertoon van lompheid kwetst me persoonlijk. Dat heeft twee oorzaken:


  1. Mijn  eigen vader is geboren in een vluchtelingenkamp, tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het was een goed georganiseerd kamp, Elizabethville in Birtley, onder de rook van Newcastle, maar toch. In die jaren hadden meer dan tweehonderdduizend Belgen veiligheid gevonden in Engeland en nog veel meer in Nederland en Frankrijk. Ik bezit een foto van de kamer waar mijn vader geboren werd. Eronder staat: Belgian Refugee Camp. De eerste namen van vluchtelingenkinderen die ik hoorde, waren niet Ali of Fatma, maar Jef en Gust en Yvonne.


  1. Een jaar of twintig geleden hebben wij bij ons thuis, nog lang en breed in Brussel, een paar jaar een Afrikaanse asielzoeker geherbergd. Toen heb ik van nabij de bokkensprongen kunnen observeren waaraan de Belgische ambtenarij zich te buiten ging en ook de angsten die de vluchteling kunnen overvallen. Enfin, de man is nu allang Belg, we hebben hem door de achterpoortjes van de wet naar binnen gesmokkeld. U kunt een en ander lezen in mijn verhaal Berichten uit de burcht (uit: Veldwerk in Vlaanderen, Amsterdam, Atlas, 2000).


Er is nog iets anders.


Op wat Vreemdelingenzaken decreteert, kun je de spreekwoordelijk geworden uitspraak toepassen van Joseph Fouché, hoofd van de Franse politie onder Napoleon: C’est pire qu’un crime, c’est une faute.


Ze worden daar bij Vreemdelingenzaken niet gehinderd door enige kennis van zaken. Ze gaan er van uit dat Afghanistan een veilig land is. Dat druist in tegen het oordeel van zowat alle deskundigen, waar ook ter wereld.


Het gaat nog verder.


Afghanistan is een lappendeken van volkeren en talen, Patanen, Tadzjieken, Oezbeken, Turkmenen, Beloetsjen, enz. enz. Aziz maakt deel uit van de minderheidsgroep der Hazara’s. Zij wonen én in Afghanistan én in Pakistan én in Iran én in Tadzjikistan. De grenzen in die berglanden zijn al even krankzinnig als de grenzen van de Brusselse gemeenten, maar dan in het heel groot en in het levensgevaarlijk. De meesten van de Hazara’s zijn sjiieten. Ze worden al eeuwen vervolgd en onderdrukt door de hen omringende meerderheid van soennieten. De taliban bijvoorbeeld doen dat met de sinistere ijver. Het is echt geen toeval dat de ouders van Aziz al naar Iran zijn gevlucht. De taliban, die zijn zo menslievend als de Waffen SS.


Wie nu zou denken dat ik een volleerd afghanoloog ben of godbetert een hazaroloog, die moet ik teleurstellen. Ga tien minuten zoeken op het internet en je sprokkelt al de bovenstaande weetjes bij elkaar en nog een hele hoop meer. Tien minuten, vooruit, een kwartier, en je bent iedere illusie over een veilig Afghanistan kwijt. Indien je nog illusies mocht hebben, want iedereen die weleens een krant leest of een tv-journaal bekijkt weet dat Afghanistan even veilig is als een vuurgevecht tussen maffiaclans.


Kom me niet vertellen dat ze bij Vreemdelingenzaken te stom of te lui zijn om dat kwartiertje op het internet te surfen. Straks moet ik nog gaan denken dat het onwil is. Botte onwil. Daar kan ook de voorbeeldigste integratie niet tegenop.


Zum kotzen, noemen ze dat in mijn geliefde Duits. Ik kan geen treffender woorden bedenken.


Geert Van Istendael


Ann Lamon

Auteur bij uitgeverij Vrijdag


Moeten mensen blijvend hun leven riskeren in hun zoektocht naar veiligheid, naar degelijke fundamenten om een waardevol leven te kunnen opbouwen?


130.000 mensen vroegen tussen 2015 tot en met het tweede kwartaal van 2018 asiel aan in het Verenigd Koninkrijk. 129.802 om precies te zijn. Zo’n abstract getal zegt eigenlijk niet zo veel, maar als je dat zou vergelijken met het aantal inwoners van een grote stad in België dan laat het steden als Leuven of Brugge achter zich.


Het Verenigd Koninkrijk steekt de laatste jaren een tandje bij wat betreft humanitaire corridors. Gelukkig maar! Die trend zie je ook in België. Het gaat helaas niet over aantallen die een fair tegengewicht bieden ten aanzien van het verkeer dat via mensenhandelaars verloopt. Officiële humanitaire bruggen worden gebouwd via het Gateway programma (750 personen/jaar), het Mandate schema (UNHCR) en meer recent het Syrisch Relocatie Programma dat in 2014 van start is gegaan. Om een idee te geven kregen in het jaar 2017 5.673 mensen toegang tot een veilige doorgang tegenover een totaal van 33.512 asielaanvragen. Dat is een luttele 17%.


Ik ga ervan uit dat een klein aantal asielzoekers op eenzelfde manier zoals wij dat mogen de mogelijkheid hebben om naar pakweg Manchester of Heathrow te vliegen en vervolgens een asielaanvraag in te dienen. De moeder van huisje 74 uit camp de la linière (2016-2017) liet enkele dagen geleden weten dat ze nog steeds een eerste antwoord afwacht op hun asielaanvraag. Zij kon gelukkig samen met haar dochter en zoontje van vier de jungle ontkomen via zo’n veilige corridor. Helaas is het wachten opgelopen tot meer dan twee jaar! Ook de Iraakse vertaler met zijn gezin met de twee kinderen Soma en Akam wachten nog altijd bang af. Zij maakten de oversteek via mensenhandelaars. De meerderheid echter bereikt het Verenigd Koninkrijk met andere woorden op eigen houtje en zien we - of zien we helemaal niet - onder andere in transitkampen.


Nationaliteiten van asielzoekers variëren. Nochtans stelt men vast dat men de afgelopen jaren steeds met dezelfde landen van oorsprong te maken krijgt. Eritrea, Iran, Pakistan, Afghanistan en Bangladesh blijven persistent in die top tien aanwezig.


In 2017 namen Iran, Pakistan en Irak de top drie voor zich. Helaas zijn dat niet de mensen die het meeste kans hebben op een positief antwoord bij een initiële asielaanvraag. Home Office weigerde in het geval van de Iraniërs: 53%, 80% Irakezen en 86% Pakistanen. Je mag dat niet absoluut bekijken. Er is nog altijd de mogelijkheid om in beroep te gaan (appeal). Je hebt nog altijd de kans om onder de radar te verdwijnen in de clandestiene maatschappij - die naar schatting 1.1 miljoen mensen telt - en zelfs al is de erkenningsgraad laag, zoals voor Indiërs bijvoorbeeld 1%, ze is niet onbestaand en dus is er hoop.


2017 kende een significante stijging in aanvragen van mensen afkomstig van Soedan en Vietnam in vergelijking met 2016. Ook het tweede kwartaal van 2018 kent een enorme groei tegenover dezelfde periode van het jaar voordien in aanvragen van mensen uit Eritrea.


Syriërs blijven het grootste kans maken op asiel met 83% gevolgd door Eritreeërs met 81% in 2017. Uit de beslissingen van het eerste kwartaal van 2018 stijgen de asieltoekenningen voor Syriërs tot 87% en dalen de erkenningen voor Eritreeërs tot 70%. Maar dan nog zijn niet alle kansen verkeken.


Waar ik naartoe wil met deze cijfers is naar wat er in ons land en in Europa gebeurt. De maatregelen die ons land neemt als antwoord op mensen die ronddolen door onze straten is werkelijk absurd. Het loont de moeite om stil te staan bij het signaal dat Europa en zijn lidstaten met het huidige asielbeleid geeft. Moeten mensen blijvend hun leven riskeren in hun zoektocht naar bescherming en veiligheid, naar degelijke fundamenten om een waardevol leven te mogen opbouwen?


Je krijgt heel weinig informatie over asiel en migratie. De beschikbare informatie is in een taal die je niet begrijpt, is verschillend van lidstaat en is heel moeilijk te vinden laat staan te begrijpen. Er zit met andere woorden niets anders op dan te vertrouwen op informatie van lotgenoten.


Wanneer je de levensgevaarlijke woestijnroutes van Niger hebt doorstaan, de gruwel, de foltering en de uitbuiting in Libië, wanneer je mare mortum hebt overleefd en door de mazen van het push-back-net of de ‘anti-migrantenhekken’ kon glippen, kon ontsnappen uit de schrale kampen van Moria dan wacht je nog een laatste uitdaging alvorens je asiel mag aanvragen. Dat kan in het Verenigd Koninkrijk, dat mag ook in het Verenigd Koninkrijk en het loont ook voor een groep van mensen om dat in het Verenigd Koninkrijk te doen.


Je zal zoals voordien op de straat zijn toegewezen, je krijgt geen hulp van Europa en zijn lidstaten, je bent aangewezen op de hulp van vrijwilligers, je moet beroepen op gevestigde mensenhandelnetwerken en als de ordediensten van de lidstaat waar je je bevindt je bij toeval bij een oversteekpoging treffen, of wanneer ze je betrappen bij het nemen van het openbaar vervoer dan zal je tijdelijk opgesloten worden maar nadien weer vrijgelaten worden zodat je verdere pogingen kan ondernemen. Heeft de lidstaat een overeenkomst met je geboorteland dan trek je een hele slechte kaart.. Maar! Eens het je lukt voet aan wal te zetten in het Verenigd Koninkrijk dan mag je het ‘transitmigrant-label’ voorgoed klasseren en dan word je weer asielzoeker.


Roulette, maar dan met vluchtelingen, met mensen. En geen enkele lidstaat die het fatsoen heeft om zijn verantwoordelijkheden op te nemen, een gebrek aan daadkracht om het voortouw te nemen naar een Europees cross-border correct asielbeleid.

#Refugeewalk Succes iedereen!


Ann Lamon

Caroline Pauwels

Rector Vrije Universiteit Brussel

De Verlichting is van iedereen



De ene partij bedient zich ervan om de islam te treffen, de andere om xenofobie aan te klagen. Beide dwingen tot de keuze: voor of tegen de Verlichting. Maar hebben ze nog wel zicht op wat die Verlichting is en kan zijn? VUB-rector Caroline Pauwels verzet zich tegen het verdonkeremanen van een open traditie.


Het is mijn overtuiging dat de Verlichtingstraditie – het durven denken: de rede, de wetenschap, het humanisme en het possibilisme – vandaag de beste basis vormt om duurzaam het hoofd te bieden aan de existentiële onzekerheden van het leven.

Maar dan zullen we wel, in een samenleving die steeds diverser wordt, op een andere manier over de Verlichting moeten praten. Niet als een levensbeschouwing die in een bepaalde tijd, op een bepaalde plaats, in een bepaalde cultuur is ontstaan. Niet als een vorm van erfgoed. Maar wel als een houding, een manier van in het leven staan. We moeten de Verlichting tonen als een universele vorm van levenskunst, waarvan we elementen vinden in verschillende periodes in de geschiedenis en op verschillende plaatsen in de wereld. Als een open project.


Als we de Verlichting presenteren als de culminatie van een heel specifieke geschiedenis, in een specifieke regio, dan geven we meteen ook het signaal dat wie die geschiedenis niet deelt, er geen deel van kan uitmaken. Dan wordt de Verlichting, zoals populisten en nationalisten dat het liefst zien, exclusief, een manier om nieuwkomers buiten te sluiten.

Nergens vind je op zo’n klein oppervlak zoveel nationaliteiten, talen en culturen. Europeaan zijn betekent dan ook dat je de ‘kans en de plicht’ hebt om ‘de kunst van het leven met anderen te leren’


Als we de Verlichting presenteren als levenskunst, dan is onze benadering inclusief: ook wie van elders komt, ook wie in een heel andere traditie staat, kan zich de levenskunst van de Verlichting eigen maken. Meer zelfs, wie in een andere traditie staat, wordt uitgenodigd om de overeenkomsten te zoeken tussen de antwoorden die vanuit zijn of haar traditie of geschiedenis worden gegeven, en de aanpak die eigen is aan de Verlichting.


Met andere woorden: we moeten de Verlichting uitdragen als een levende en open traditie, die ons, wat onze achtergrond ook is, geconfronteerd met de wisselvalligheden van het leven, zingeving, inspiratie en houvast kan bieden. Deze oefening impliceert dat de Verlichting niet langer westers is, als ze dat al ooit was, maar op termijn, in dialoog met de andere, evolueert naar universaliteit.


Als we de Verlichting presenteren als levenskunst, dan is onze benadering inclusief: ook wie van elders komt,  ook wie in een andere traditie staat, kan ze zich eigen maken. Daartoe is wellicht ook nodig dat we, zonder ons van onze historische wortels af te snijden, kritisch, maar met vertrouwen, naar ons verleden kijken. Anderen kijken immers ook naar dat verleden. En vanwaar je komt, maakt verschil uit voor hoe je kijkt. Zo is voor de meesten van ons de koloniale periode iets uit een andere tijd, waar we niet zoveel meer mee te maken hebben. Voor wie zijn wortels in Afrika heeft, is dat helemaal anders. Die verschillende manier van kijken moeten we, in de geest van het humanisme, begrijpen en respecteren.


De Nederlandse filosoof Bernard Delfgauw schreef: ‘Om te denken is er moed nodig tegenover zichzelf. Men moet ten aanzien van het eigen denken zowel kritiek hebben als vertrouwen. Ontbreekt dit vertrouwen, dan ontbreekt de moed om het eigen denken in gesprekken en a fortiori in geschriften te uiten. Ontbreekt de kritiek, dan ontbreekt de moed om zich met zijn eigen vooroordelen te confronteren.’

Kritisch, maar met vertrouwen naar ons verleden kijken, ook dus naar de geschiedenis van de Verlichting, en ook naar die van andere tradities.


Vandaag bestaat de neiging die tradities tegenover elkaar te plaatsen, elk met een verschillende, onveranderlijke en haast onverzoenlijke kern. Voor wie er zo naar kijkt, is de onvermijdelijke ‘botsing der beschavingen’ nooit ver weg. De Indiase Nobelprijswinnaar Economie Amartya Sen gebruikt voor die zienswijze de term ‘civilizational confinement’: de neiging mensen op te delen en op te sluiten in specifieke en onveranderlijke identiteiten.


Sen wijst erop hoe fout dit beeld is. Doorheen de geschiedenis stonden tradities altijd met elkaar in contact en wisselden ze ideeën en praktijken uit. Wat we de Zijderoute noemen, was als een snelweg die Azië en Europa verbond en waarlangs goederen, maar ook ideeën, circuleerden. Zo kwamen de Griekse sceptici, via centraal-Azië en India, in contact met noties en concepten uit het boeddhisme en bereikten wiskundige inzichten uit Indië, via Perzië en de Arabische wereld, Europa.


De idealen van de Verlichting staan altijd onder druk. Wellicht is dat onlosmakelijk verbonden met de menselijke conditie. Wie zelf durft te denken, beseft dat er altijd ook andere krachten zijn die aan ons trekken; krachten die allemaal wel ergens te maken hebben met een gebrek aan vastberadenheid, aan moed: loyauteit tegenover de eigen groep of overtuiging, conformisme en sociale druk, bijgeloof, vijand-denken.


Die altijd aanwezige tegenkrachten worden vandaag aangewakkerd door populistische leiders die bewust op die sentimenten inspelen, die voedsel geven aan de angst voor het onbekende, die de problemen uitvergroten om er zelf beter van te worden. En dan zijn er nog de alomtegenwoordige sociale media, die werken als een echokamer en mensen vooral bevestigen in hun ergste vrezen en vooroordelen.


Dat tij valt niet makkelijk te keren. Genuanceerde argumenten ketsen af op wie zwart-wit redeneert. Wat schiet je op met een zorgvuldig wikken en wegen van de feiten, als elk bericht dat onwelkom is, wordt gepareerd met de kreet fake news, wanneer cynisme en brute macht de toon zetten en redelijkheid als zwakheid wordt gezien.


En toch, denk ik, moeten we ook dan vertrouwen op de levenskunst van de Verlichting, en op haar bouwstenen: rede, wetenschap, humanisme en possibilisme.


Laat me beginnen met de rede. Schematisch gesteld meenden de Verlichtingsfilosofen dat het gebruik van verstand en rede tot een Verlichte samenleving zou leiden. Geen van de Verlichtingsfilosofen beweerde echter ooit dat mensen perfect rationele wezens waren of dat dienden te worden.


Waar het de Verlichtingsfilosofen om te doen was, was ons bewust maken van wat er gebeurde als we ons, in plaats van zelf na te denken, lieten leiden door het gezag van geloof of traditie. Maar dat belette ze niet om ons ook duidelijk te maken hoe gemakkelijk het eigen verstand zich laat leiden door de weg van de minste weerstand of door wat ons goed uitkomt.


Het beeld van de mens als rationele beslisser maakte in de loop van de 20e eeuw opgang binnen een deel van de economie. De sterk gekwantificeerde modellen waarmee economen aan de slag gaan, steunen op een vereenvoudigd theoretisch model van de ‘homo economicus’: een mens die zich bij zijn handelen enkel laat leiden door koele kosten en baten-afwegingen. Elke intelligente econoom zal je echter vertellen dat het om een hypothetische constructie gaat, niet om een waarheidsgetrouwe afbeelding van de realiteit.


De afgelopen decennia vond er in de psychologie heel wat baanbrekend onderzoek plaats dat leert dat mensen niet, of alleszins niet altijd, de soevereine beslissers zijn waarvoor de economische modellen hen houden. Mensen maken niet de hele tijd rationele afwegingen, zijn geneigd dingen te geloven die hen goed uitkomen, schatten risico’s vaak fout in, laten zich leiden door de meningen van anderen, sluiten zich af voor informatie die hen niet bevalt, laten zich manipuleren door de manier waarop dingen hen worden voorgesteld.


Deze inzichten sijpelen ook door naar de populaire media, waar ze dan vaak worden gepresenteerd als het ultieme bewijs dat het zinloos is te hopen dat mensen zich ooit door rede en verstand zouden laten leiden. Het is net omgekeerd: door beter zicht te krijgen op de mechanismen en de beperkingen van het menselijk denken, zijn we ook beter in staat ons te wapenen tegen denkfouten en slechte argumenten.


Hetzelfde geldt voor de terechte waarschuwingen van de Israëlische historicus Yuval Noah Harari voor de impact van artificiële intelligentie. Harari beschrijft hoe we binnenkort zullen moeten aanvaarden dat allerhande kennissystemen, gebaseerd op gigantische datastromen, beter geïnformeerd over ons zijn en betere beslissingen voor ons kunnen nemen, dan waar we zelf toe in staat zijn.


De gevolgen daarvan kunnen we vandaag nauwelijks inschatten. Sommigen verbinden er alvast de onttroning van de menselijke rede en dus van het ideaal van de Verlichting aan. Anderen zien al de onvermijdelijke machtsgreep van de artificiële intelligentie aankomen en robotten die ons tot slaaf maken. Ik betwijfel dat. Wel is het zaak erover te waken dat naarmate artificiële intelligentie krachtiger wordt, we verzekeren dat ze ook altijd gebruikt wordt om de mensheid te dienen. Dat is zeker een uitdaging, maar geenszins een onmogelijke.


Artificiële intelligentie en big data hoeven, net zo min als psychologisch onderzoek dat de valkuilen van het menselijk denken in kaart brengt, een onttroning van de menselijke rede in te houden. Integendeel, ze geven ons een beter zicht op onze mogelijkheden en beperkingen. Aan ons de verantwoordelijkheid om er goed gebruik van te maken.


Dat brengt me bij de tweede bouwsteen van het Verlichtingsdenken, de wetenschap. Ook daar stellen zich grote uitdagingen. De academische vrijheid staat onder druk: het statuut van de wetenschap en van de wetenschappers dreigt te worden ondermijnd.


De dagelijkse schimpscheuten, ook bij ons, van rechtse opiniemakers over ‘politiek-correcte’ wetenschappers die hun ideologische wensdromen voor werkelijkheid zouden nemen. Vlaamse ministers die de geloofwaardigheid van armoede-experten in twijfel trekken. Een onderzoekster die de ongelijke behandeling van gekleurde klanten in kledingwinkels in kaart brengt en van wie de integriteit in vraag wordt gesteld op basis van haar Marokkaanse afkomst.


Ook de linkerzijde hoort liever wat haar goed uitkomt en durft weleens een banvloek uit te spreken over onderzoekers die politiek onwelgevallige dingen beweren. Ieder van ons leeft in een bubbel, waarbinnen we elkaar in onze meningen bevestigen.


Ook binnen de wetenschap bestaat groepsconformisme. Dat conformisme maakt dat er soms op veilig wordt gespeeld en eerder ingezet wordt op onderzoek waarvan we zeker zijn dat het bij onze peers in de smaak zal vallen. Dat is menselijk, maar daar moeten we niet in berusten.


Precies daarom is het belangrijk dat wetenschappers altijd onthouden dat hun eerste loyauteit niet ligt bij hun overtuigingen of bij de mensen met wie ze bevriend willen blijven, maar bij de wetenschap. Als we ons willen teweerstellen tegenover diegenen die de wetenschap en de wetenschappers in een kwaad daglicht stellen, dan moet onderzoek altijd boven alle verdenking staan. Dan moeten we altijd goed weten wanneer we spreken met het gezag van de wetenschap en wanneer als burger, met een specifieke mening of overtuiging.


Versta me goed: ik pleit niet voor de onzijdigheid of de onpartijdigheid van de wetenschap. Ik stel dat ons sterkste argument tegen antiwetenschappelijke aanvallers precies is, dat we eerst en vooral goede wetenschap bedrijven. Dat wat we met onderzoeksresultaten aantonen, hen mogelijk onwelgevallig is, maar daarom niet minder stevig onderbouwd is. Als we wat dat betreft niet streng zijn voor onszelf, ondergraven we onze positie en die van de wetenschap.

We moeten ook met meer fierheid en overtuiging voor de wetenschap durven spreken. We moeten ons niet te goed voelen om wat we weten of hebben ontdekt, ook uit te leggen op zo’n manier dat een breed publiek beter begrijpt wat we doen.


Ik kom bij mijn derde bouwsteen, het humanisme. Op verschillende plaatsen in de wereld zien we de opgang van dictators en sterke leiders, wordt er met bewondering gekeken naar het Chinese economische model, naar de harde machtspolitiek van Poetin. En dat doet nogal wat mensen besluiten dat het humanisme zijn langste tijd heeft gehad.


Dan hoor je dat mensen zekerheid verkiezen boven ontplooiing, dat ze niet gemaakt zijn om vrij te zijn of zelf na te denken. Dat mensenrechten een luxe zijn, die je je als samenleving niet langer kunt permitteren in een wereld van schaarste, van crisis, van achteruitgang. Humanisten krijgen voor de voeten geworpen dat ze Gutmenschen zijn, dat het daarbuiten een harde wereld is en dat je maar beter leert je ernaar te gedragen.


De opgang van dat sombere mensbeeld, van die zero sum-mentaliteit, is gevaarlijk voor het humanisme. En dus moeten we tegengas geven, in de eerste plaats door erop te wijzen dat de nu zo populaire essentialistische aannames over ‘de ware aard van de mens’ meestal ideologisch geïnspireerd zijn. De afgelopen decennia hebben we dankzij de wetenschap veel bijgeleerd over onze soort. En wat we leerden, moet humanisten vertrouwen geven.


Volgens de evolutiebioloog Frans de Waal bepaalt de mate waarin we competitie en samenwerking aanmoedigen dan wel ontmoedigen, welk soort maatschappij ontstaat en daardoor ook welke mensen je krijgt. Als je, stelt hij, een samenleving wil baseren op competitie, kun je dat doen, en dan krijg je een harde samenleving waarin mensen elkaar als concurrenten zien. Wil je haar baseren op samenwerking, dan kun je dat ook, en dan krijg je wellicht mensen die meer bereid zijn om elkaar te helpen.


Dat is een belangrijk inzicht. Hoe meer we, dankzij het evolutie-denken, onze eigen soort beginnen te begrijpen, hoe groter de verantwoordelijkheid wordt. Mensen zijn sociale primaten die in groepsverband leven. Mensen hebben een aanleg zowel tot coöperatie als tot competitie. Welk van die twee eigenschappen we vrij baan geven, is een keuze die we zelf kunnen en moeten maken. We bepalen, door de wijze waarop we de samenleving inrichten, als het ware welk soort mensen we worden. Dat is een verantwoordelijkheid voor ieder van ons. Een verantwoordelijkheid die gevolgen heeft voor hoe we met elkaar omgaan, voor hoe we onze kinderen opvoeden, hoe we onze bedrijven en organisaties inrichten, hoe we politiek bedrijven.


Mijn vierde bouwsteen dan, het possibilisme. Er bestaat een hardnekkig vooroordeel dat maakt dat we onmiddellijk diepgang toedichten aan wie met een pessimistisch verhaal komt, terwijl we optimistische geluiden al gauw wegwuiven als zijnde oppervlakkig.


De afgelopen jaren verschenen publicaties als die van Steven Pinker of Hans Rosling die de zaak weer in evenwicht brengen. Er vallen immers ook heel wat succesverhalen te vertellen over de wereld van vandaag. In 1966 leefde de helft van de wereldbevolking in extreme armoede; vandaag is dat nog 9%. In de laatste 20 jaar zijn bijna alle kinderen ter wereld gevaccineerd tegen de belangrijkste ziekten. Vandaag maakt 60% van de meisjes in de lage-inkomstlanden hun lager onderwijs af. De stijging van de wereldbevolking zal over enkele decennia stilvallen; het aantal geboortes stijgt namelijk al jaren niet meer. We leven langer, zijn welvarender geworden en dat geldt ook voor de armste landen.


Uiteraard, benadrukken ook Pinker en Rosling, zijn niet alle problemen opgelost en zijn er landen die er veel moeilijker dan andere in slagen aan te pikken bij deze globale trends. Maar net het feit dat we er elders in geslaagd zijn problemen op te lossen die voor het grootste deel van onze geschiedenis als inherent aan het menselijk bestaan werden beschouwd, geeft moed en vertrouwen. Vanzelf zullen de dingen niet beter worden, maar we kunnen ze wel beter maken.


De boodschap van auteurs als Pinker en Rosling is belangrijk, zeker voor wie de idealen van de Verlichting deelt. De wereld gaat niet reddeloos ten onder, mensen kunnen leren van hun fouten en dat geeft hoop. Ik citeer Rosling: ‘Als mensen ten onrechte geloven dat er niets verbetert, dan concluderen ze misschien dat niets van wat we hebben geprobeerd werkt. En dan verliezen ze hun geloof in maatregelen die echt werken.’

Wat vandaag onmogelijk lijkt, is dat morgen misschien niet meer. De mensheid gaat vooruit, omdat sommigen zich dingen voorstellen die anderen onhaalbaar en utopisch lijken. Het terugbrengen tot onder de tien procent van het deel van de wereldbevolking dat in extreme armoede leeft, was nog niet zo lang geleden zo’n utopie. Vandaag is die utopie realiteit geworden.


Ik steek niet weg dat ook ik bij momenten door fundamentele twijfels word overvallen, dat ook ik me soms afvraag of het allemaal nog wel goed komt met mens en samenleving.


Ik heb het bijvoorbeeld bijzonder moeilijk als ik lees wat op sommige sociale media verschijnt over vluchtelingen, asielzoekers en migranten, maar ook over mensen die hier werden geboren, maar van wie de wortels elders liggen.


Ontmenselijking. Zoals collega en filosoof Marc Van Den Bossche schreef: ‘Eens de ander ontdaan is van zijn gelaat, kan hij het voorwerp worden van uitsluiting en geweld.’ De Holocaust, de genocide in Rwanda: vooraleer de anderen werden gedood, werden ze eerst gedegradeerd tot ‘ondermensen’, tot ‘kakkerlakken’. Eerst is er de ontmenselijking, dan volgt de vernietiging.


Van Den Bossche pleit ervoor om ontmenselijking te pareren met ‘hermenselijking’. Dat kunnen we, door de vreemde tot naaste te maken, door hem of haar een gezicht te geven, door naar diens concrete verhaal te luisteren, door ons te verplaatsen in de situatie van die andere, door de dialoog aan te gaan. ‘Dialoog betekent elkaar trachten te verstaan; een verstaan dat vervolgens een ander verstaan kan inhouden.’


Eén van de grondkenmerken van Europa is dat je altijd met anderen samenleeft; nergens vind je op zo’n klein oppervlak zoveel nationaliteiten, talen en culturen. Europeaan zijn betekent dan ook, zoals de filosoof Hans Gadamer schreef, dat je de ‘kans en de plicht’ hebt om ‘de kunst van het leven met anderen te leren’.


We zullen moeten zoeken naar een modus vivendi, naar manieren van vreedzaam leren omgaan met verschillen. En ook daarvoor vertrouw ik op de rede, de wetenschap, het humanisme en het possibilisme. Verlichting als levenskunst zal ons ook dienen te inspireren tot de kunst van het samenleven, van het vreedzaam leven met verschillen. Met anderen in pluraliteit leven is, zoals Hannah Arendt het formuleerde, een basisconditie om mens te worden.


Om die reden lijkt het me vandaag ook zo belangrijk om, als erfgenamen van de Verlichting, op de bres te staan voor het Europese project. Laten we toch niet vergeten dat het Europese project ontstond op de puinhopen van nationalisme en populisme. De Tweede Wereldoorlog was het gevolg van net die dingen die vandaag nu weer opgang maken: muren optrekken, grenzen toegooien, groepen uitsluiten. Natie tegen natie, volk tegen volk, staat tegen staat: haat en uiteindelijk geweld en oorlog.


Het Europese project is een experiment in de kunst van het samenleven. We kunnen ons niet veroorloven dat het met dat experiment fout afloopt.


De Verlichting ambieert universeel te zijn, niet nationaal. We bouwen aan de gezamenlijke toekomst van de mensheid, niet aan een of andere constructie tot meerdere glorie van het eigen volk, gericht tegen een ander volk.


Ik pleit er tenslotte voor om altijd weer de moed te blijven opbrengen om zelf te denken. Om kritisch, maar met vertrouwen naar de wereld te kijken. Sapere aude.


Dit is een ingekorte versie van de Karel Poma-lezing die VUB-rector Caroline Pauwels afgelopen week uitsprak. Verlichting als levenskunst is als uitgave verkrijgbaar via www.humanistischverbond.be en www.aspeditions.be.


Caroline Pauwels


Rudi Vranckx

Conflictjournalist



In zijn speech naar aanleiding van het in ontvangst nemen van de Carnegie Wateler Vredesprijs, heeft VRT-conflictjournalist Rudi Vranckx gewaarschuwd voor het oprukkende populisme. "Angstzaaierij is hét bestsellerproduct van de 21e-eeuwse politieke markt. Maar zij die angst verspreiden, leggen de fundamenten voor de oorlogsmisdaden van morgen."


Lees hier zijn integrale lezing.


“Oorlogscorrespondent”: het klinkt exotisch, maar in feite is het eenvoudig. Wij vertellen het verhaal van gewone mensen in ongewone omstandigheden. We geven een gezicht en een stem aan hen die er anders geen zouden hebben. In de dertig jaar dat ik dit doe, heb ik geleerd dat oorlog soms wel een onvermijdelijke natuurwet kan lijken, maar dat vrede makkelijk te bereiken is.


Vrede wordt niet geboren uit grote conferenties, en al helemaal niet uit de sociale media met hun hatelijke tweets. Nee, het wordt hier en overal tegelijk geboren, uit de vezels van de maatschappij. Onderwijzers, advocaten, dokters, mensenrechtenactivisten, de familieleden van slachtoffers … zij zijn het die uiteindelijk het verschil maken. Na al die jaren voel ik me nog steeds geprivilegieerd wanneer ik het verhaal van die mensen mag vertellen. Zij zijn de kleine helden van onze tijd.


Recentelijk heb ik ook vaak gedacht aan hen die gestorven zijn bij het uitoefenen van dit beroep – deze roeping, eigenlijk. De voorbije 25 jaar zijn zo’n tweeduizend van mijn collega’s overleden. Dit jaar gebeurde dat aan het duizelingwekkende tempo van twee gesneuvelde collega’s per week. Ze hadden hun leven ervoor over om een verhaal te vertellen. Letterlijk. We mogen dat niet vergeten. Wanneer zij sterven, sterft ook dat verhaal. De slachtoffers van oorlog en geweld sterven dan een tweede keer. In stilte.


Over stilte gesproken. Het doet me denken aan de mensen van Mosul die onder het zogenaamde kalifaat hebben moeten leven. De grootste wreedheden en geweld, religieuze onverdraagzaamheid: ze hebben het overleefd. Zes maanden na de val van Mosul moest ik me een weg banen door honderden, misschien zelfs duizenden lichamen die zomaar bijeengegooid lagen in kelders, onderaan rotsen, in rolstoelen… Sommigen waren kinderen, hun primitieve speelgoed aan hun zijde.



Vae victis! Wee zij die overwonnen zijn.

Zo moet Dante zich zijn inferno voorgesteld hebben.



En toch, op hetzelfde moment en te midden van die verpletterende stilte, vond ik de menselijkheid waar ik zo’n nood aan heb. Waar we allemaal nood aan hebben.


Laat me het verhaal vertellen van echte moed. Imagine. Buiten in het duister galmen enkel schoten, de ontploffingen van granaten, het geschreeuw van folteringen. Jij zit in je kelder en je neemt je gitaar of je viool, en je begint stilletjes te spelen. Je neemt het op… en je post het op Facebook, in het volle besef dat je bestraft kunt worden met de dood. Muziek is immers verboden, net als elke uitdrukking van menselijk plezier.


Gitaarsnaren worden gebruikt om je vrienden te wurgen of om boobytraps te maken.

In zo’n wereld wordt het geluid van muziek een tegengif tegen intolerantie.

Toen we de vernielde muziekacademie van Mosul bezochten, hoorde ik “Imagine”. Dat wat naïeve liedje uit mijn jeugd werd te midden van al die vernieling een geluid van hoop. Daarom besloten we muziekinstrumenten naar Mosul te brengen, een hoopvol project dat we “Imagine Mosul” noemden. Duizenden Belgen reageerden, vol enthousiasme. We hadden een gevoelige zenuw in onze samenleving geraakt, een verlangen naar hoop en actie, tegen de polarisering en de haat in. Ik heb er kracht uit geput. Zelfs als journalist, te midden van de duisternis, heb je al eens een glimp hoop nodig.


Eerst en vooral moet de journalistiek accurate berichtgeving verzorgen, maar het kan ook meer zijn dan dat. De journalistiek kan ook een hulpmiddel zijn om een eerlijke en rechtvaardige maatschappij te bouwen, zonder geweld of haat, door vanuit het hart naar de geesten te reiken. We hebben allemaal wat tegengif nodig.


Het eerste slachtoffer van oorlog is de waarheid.

Dat is het motto van veel journalisten, maar het is maar een deel van het verhaal. De mensenrechten – de rechten die we allemaal delen, als de mensen die we zijn – liggen vlak naast de waarheid begraven. Ja, het is gemakkelijk om verslag uit te brengen van iets waar je niet zelf rechtstreeks bij betrokken bent, wanneer de oorlog ver van huis is. Maar wat als de dreiging dichterbij sluipt? Hoe betrokkener we zijn, hoe dikker de oorlogsmist wordt. De voorbije twee decennia zijn die grenzen opgeschoven, beetje bij beetje.


Chemische wapens, de horror van IS, oorlogspropaganda in de vorm van fake news, blinde terreur op eigen bodem… De gevaren zijn gigantisch, net als de uitdagingen, en daarmee groeit ook de verleiding om de gemakkelijke weg te kiezen. Zo komen de mensenrechten onder druk te staan, net als de westerse rechtsstaat. Die weg leidt naar ontmenselijking.

De voorbije jaren zijn er te veel rapporten verschenen van Amnesty International, Human Rights Watch, Dokters Zonder Grenzen… noem ze maar op, de organisaties die overal ter wereld getuige zijn van de horror van de oorlog en van misdaden tegen de menselijkheid. De bewijzen, de zaken die zij naar boven spitten: het zijn er nu te veel geworden om nog te ontkennen. De oorlogen van de voorbije jaren hebben ons moreel kompas onder druk gezet.


Zo kom ik bij mijn eigen maatschappij uit.

Om te beginnen wil ik een citaat aanhalen dat maar door mijn hoofd blijft spoken. Hij komt van Amin Maalouf, een Arabier, Libanees en Fransman, een oosterse christen die in spreidstand staat tussen het Oosten en het Westen.


“We zijn zonder kompas in een nieuw tijdperk beland. Mijn zorgen zijn die van een volgeling van de Verlichting die het licht ziet flakkeren, zwakker ziet worden en in sommige landen zelfs uit ziet gaan. Het zijn de zorgen van iemand die de vrijheid koestert.” Dagelijks maak ik me dezelfde bedenkingen, tijdens mijn werk als oorlogscorrespondent in deze eeuw. En dus ben ik bezorgd.


We leven in een wereld waarin mensen langer leven, waarin de mogelijkheden groeien en waarin de mensen gelukkiger zouden kunnen zijn. Tegelijk is dit ook de wereld waarin er om de twee seconden iemand vluchteling wordt. Ze zijn met tientallen miljoenen wereldwijd, meer dan op gelijk welk moment sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. In die wereld zie ik hoe de spoken uit het verleden ons opnieuw op de hielen zitten. Het zijn die van angst en de haat jegens de andere. Het lijkt wel een wiel dat maar blijft draaien en steeds opnieuw op hetzelfde punt halt houdt.




Sommigen herinneren ons aan de jaren dertig,

maar de geschiedenis herhaalt zich niet.

Het mechanisme van uitsluiting en menselijk gedrag in tijden van angst

blijft wel hetzelfde.




We leven in het tijdperk van de polarisatie. Wij tegen zij. De “ander” is terug en domineert elk debat en elke verkiezing. Oorlogsvluchtelingen worden gezien als profiteurs, hun lijden is ondergeschikt aan ons ongemak. Gelukzoekers, als we de minachtende tweets mogen geloven. Natuurlijk zijn sommigen van hen gelukzoekers. Ze zijn op de vlucht voor oorlog, de droogte die de klimaatverandering brengt, armoede.

Maar mogen we nog nuanceren? Mogen we nog naar een menselijke oplossing zoeken? Help je een drenkeling, dan ben je een handlanger van mensensmokkelaars. Wil je het internationaal recht respecteren, dan ben je een rechter die de voeling met de realiteit kwijt is. Journalisten worden geïntimideerd. Wat er nog over is van nuance, verdwijnt.


Angstzaaierij tegenover de andere is hét bestsellerproduct van de 21ste-eeuwse politieke markt. Feiten en oplossingen worden geliquideerd. Ook in Europa, in onze eigen samenleving. Als historicus en oorlogscorrespondent begrijp ik maar al te goed dat er elke dag oorlog gevoerd wordt met twee wapens: haat en angst. De boodschap is simpel. We worden bedreigd, omsingeld, overweldigd. De “ander” krijgt de schuld, wordt minder mens, vervolgens onmenselijk, om uiteindelijk…




Zij die angst verspreiden en haat zaaien,

leggen de fundamenten voor de oorlogsmisdaden van morgen.




“Nooit meer opnieuw”, dat was het mantra van hen die de vrede naar Europa hielpen te brengen. De strijd had hen uitgeput. Nu overstemt een nieuwe generatie, die nog geen flauw idee hebben van wat oorlog écht betekent, de rest. Maar wie de buik van het beest voedt, zal het uiteindelijk nooit meer terug in z’n kooi krijgen. Als de geschiedenis ons één ding leert, dan wel dat populisme nooit goed eindigt, of het nu links- dan wel rechtsgeoriënteerd is. Het biedt enkel simplistische oplossingen voor complexe problemen.


Heb ik het recht om daarover te spreken? Dertig jaar oorlogsverslaggeving zitten ingesleten in mijn ziel. Ik heb gezien hoe het begint, hoe het groeit en wat voor een beest het wordt. Rwanda, Congo, Somalië, Irak, Syrië… de lijst is lang. Conflict breng het beste en het slechtste in mensen naar boven.


Het is natuurlijk gemakkelijk om te oordelen over de geschiedenis met de kennis van vandaag. Maar kiezen we deze keer de juiste weg, in onze tijd? Wat is ons moreel kompas? De Franse filosoof Sartre zei: “Elk woord heeft zijn consequenties. Elke stilte ook.”

Wij staan voor de keuze. Elk van ons. En ik heb mijn keuze gemaakt.


Want stilte is geen optie.   


Rudi Vranckx


Bieke Purnelle

Managing Director bij RoSa vzw


Verkiezingen zijn hoogdagen van de democratie. Zelfs wie de slopend lange aanloop met lede ogen en een zweem van irritatie aanschouwt, voelt op verkiezingsdag de adrenaline stijgen. Noem het misplaatste nostalgie, maar het stemmen met potlood en papier in mijn stad geeft het hele gebeuren een bijkomend gewicht, alsof het ritueel met het dikke rode potlood en het zorgvuldig uitvouwen van het stembiljet het belang van het momentum vertaalt. ‘Neem uw tijd, want er staat iets op het spel’.


Ik heb geen idee of er een verband is, maar slechts 7 % van de Gentenaars vond dat hele stemmen de moeite niet waard, een aantal dat in andere steden rond de 12 à 14 % schommelde. 624.427 Vlamingen brachten geen (geldige) stem uit. Ze bleven thuis, stemden ongeldig of maakten gewoon geen enkel bolletje zwart.


Zelf beleef ik zo’n verkiezingsdag doorgaans in een zekere staat van opwinding. Ik wil alles weten van zodra het geweten is. Dat weten viel flink tegen. De tergende onwetendheid lag niet alleen aan de ambachtelijke wijze waarop Gent stemt, maar ook aan een flauwe grappenmaker die wit poeder in een stembrief achterliet. Over Brussel en het landsgedeelte aan de andere kant van de taalgrens kwamen we sowieso bijzonder weinig te weten.


Dat er een ideologische breuklijn door ons land lijkt te lopen,

dat vond men op de televisieredacties niet interessant genoeg voor beschouwing.


Mijn opwinding zakte in als een mislukte soufflé.


Beelden van grimmige, triomfantelijke en zelfvoldane mannen in maatpak brachten weinig soelaas. De ene riep zichzelf op licht verbijsterende Louis Quatorziaanse wijze uit tot burgemeester nog voor de stemmen waren geteld en zonder meerderheid. De andere werd achtervolgd door hysterische journalisten en cameramannen die zich aanstelden als bakvissen die Justin Bieber zien. Nog een andere beweerde bij hoog en laag dat hij trots was, ook al wist niemand waarom vermits hij zonet een significant deel van z’n stemmen was kwijtgeraakt. Een paar racisten mochten hun winst toelichten, ook al wist iedereen al lang dat ze die aan een andere, veel grotere partij te danken hadden.


Het toetje zat hem in de uitslagen van een aantal randgemeenten, waar een ontstellend aantal mensen hadden gekozen voor kandidaten die Hitler een jofele peer leken te vinden. Dat vonden velen een geschikte aanleiding om zich vrolijk te maken over hoe deze kiezers eruitzagen. Alsof angst en boosheid lastiger te verteren zijn wanneer ze een te krappe t-shirt dragen in plaats van een keurig gestreken beige broek.


De lichte euforie over het feest van de democratie sloeg om in een radeloos soort vertwijfeling.


Toen moest het hele steekspel van de coalitievormingen nog van start gaan. Wie zou met wie gaan praten en vooral met wie niet? Wie zou “in het midden van het bed” liggen en hoe groot kan een bed zijn zonder dat de liefde snel bekoelt? Wie zou gewiekst buiten spel worden gezet en welke verrassende verstandshuwelijken zouden er zonder voorspel of vrijage worden beklonken?


Een verkwikkend schouwspel werd het niet.

Het regende holle en betekenisloze woorden als “positief project”,

waar elk zinnig mens oogrollend doorheen keek.


Mijn begrip voor die 624.427 stemverzakers steeg met het uur. Sommige cijfers deden dan weer beseffen wat er op het spel had gestaan. 278 stemmen scheelde het of de Antwerpse coalitie was haar meerderheid kwijt. Zoveel mensen krijg ik vlot samen op een feestje, bedacht ik schamper. Misschien hadden we gewoon te veel gefeest en te weinig nagedacht. Nog meer vertwijfeling.


De consternatie over een en ander leidde als vanouds tot verwoede discussies. Ik deed m’n best daar het mooie van te zien. Je debatteert over datgene waar je om geeft, prentte ik me in. Ik zou het niet op een tegel borduren, maar er zit een grond van waarheid in. Waarheid is overigens een fluïde begrip in politieke discussies. ‘Het gaat hen alleen maar om het geld’, werd er boos gebrald.


Nu maak ik er zelf een gewoonte van om met enige regelmaat politici te bekritiseren wanneer ze m.i. uit de bocht gaan. Maar ik verloor m’n geduld. Hier zaten we dan, met roodverbrande billen op de blaren, terwijl we zorgvuldig hadden nagedacht over onze stem en oprecht ergens op hadden gehoopt.


Analyses werden heen en weer getikt: over wiens schuld het was, over wie strategisch had geblunderd en wie wie een loer had gedraaid. Terwijl we in grote lijnen allemaal hetzelfde hadden gewenst: dat integere en bekwame mensen onze stad zouden besturen.


Als we die integere en bekwame mensen echt willen, dan moeten we misschien ophouden met dat gratuite gebries over graaiers en poenscheppers, en dat soort beschuldigingen reserveren voor wie ze verdient. Wie snel en makkelijk rijk wil worden moet wel goed gek zijn om daar de politiek voor te gebruiken.


Jonge mensen die zich kandidaat stellen, worden uitgelachen en raken professioneel voorgoed verbrand omdat ze politieke kleur bekennen. De oudste Gentse schepen mag drie jaar voor haar pensioen op zoek naar een job.


Wanneer het tegenzit, ruikt de concurrentie bloed en worden extra jachthonden ingezet.


De lange weg van campagne naar campagne, soms verlies na verlies incasserend met de immer sluimerende hoop op winst in het achterhoofd, lijkt bij momenten meer op een dodentocht dan op een rondje poker.


Wie een blad verkeerd legt, twee keer stottert voor de camera of zich verspreekt moet dagenlange spot en toorn verdragen en wordt zonder schroom belachelijk gemaakt. Je kapsel, je gewicht, je gebit, je huwelijk en de vorm van je tuinhaag worden geanalyseerd en kritisch doorgelicht. Je wordt als bloedend wild opgejaagd door hijgerige pers en wanneer je daar je buik van vol hebt, mag je dat niet tonen. Altijd minzaam blijven glimlachen, altijd positief blijven. Ik vind het een klein mirakel dat zoveel mensen bereid zijn zich aan al die kwellingen bloot te stellen in de hoop iets te veranderen.


Misschien zijn het niet zozeer de mensen die de politiek vergallen, maar vergalt de politiek de mensen. Misschien is dit particratische systeem gedoemd om iedereen te ontgoochelen. De partijpolitiek zoals we die kennen, is geen collectieve zoektocht naar oplossingen, maar oorlog. Elke verkiezing is een veldslag, die gewonnen wordt door degene met het scherpste geschut.


Geen enkele partij heeft iets te winnen bij het steunen van een andere, hoe dicht die ideologisch ook bij hen staat. Een goed idee, een interessante visie van de ander moet noodgedwongen genadeloos neegesabeld worden. Elke blunder, elke misstap van de een is makkelijke winst voor de ander en moet worden uitvergroot en uitgelicht, met de pers als gewillige handlanger.


Dus krijgen we geen ideeën, maar slogans;

geen plannen, maar populariteitspolls; geen harde werkers, maar PR-kampioenen.


Dus gaan verkiezingen niet over wat de meeste mensen willen, maar enkel nog over winst of verlies. We zien politici in elkaars armen vallen alsof ze net de wereldbeker voetbal hebben gewonnen, omringd door duwende en trekkende journalisten en cameramensen, met pompende en opzwepende muziek op de achtergrond, om het “historische” momentum in de verf te zetten. De oorlog is voorbij. Ziehier de triomfantelijke winnaar en de gewonde verliezer.


De echte verliezers zijn wij allemaal. De bange mensen en de dapperen, de eenzamen en de gezelligen, de denkers en de doeners. Hier zitten wij met al onze dromen en verwachtingen, terwijl voor onze ogen wordt gevochten en geplot om een zetel of een post. Al wat er te winnen leek lijkt hopeloos verloren.


Misschien moeten we die verkiezingen van mei opschorten en alle partijen met middenvelders, academici en burgers rond de tafel dwingen tot we een kiesstysteem hebben bedacht dat niet elke hoop bij voorbaat de kop inslaat.


Bieke Purnelle


Brene Brown

Professor in de Sociale Agogiek aan de Universiteit van Houston



‘Als we met hart en ziel willen leven, moeten we onze angst voor de donkere kant van het leven loslaten’


Een academica ontdekt tijdens haar onderzoek naar wat geluk in de weg staat dat haar eigen manier van leven veel te wensen overlaat. En zo werd de kwestie voor de Amerikaanse sociale wetenschapster Brené Brown uiteindelijk een roeping en werd haar boek De Kracht van Kwetsbaarheid een bestseller.


‘Damn, this is good!’, roept Oprah Winfrey temidden van het interview. Brené Brown is te gast bij de oppergodin van de zoekende zielen in haar programma Super Soul Sunday, waar ze net haar verklaring voor de verharding van de samenleving had gegeven: “Ik startte mijn onderzoek zes maanden voor 9/11. Wat ik nu vaststel, is een collectieve posttraumatische stressreactie. We hebben de oranje code geïnternaliseerd, de angst is naar binnen geslagen. Er ligt een dunne laag terreur op ons, en kwetsbaarheid is daar het slachtoffer van. In de buitenwereld dragen we ons harnas, waar we zo gewoon aan zijn geworden dat we het niet meer afleggen als we thuiskomen. Perfectionisme is een schild dat ons beschermt tegen kwetsuren. Maar het voorkomt ook dat we gezien worden. We verbergen onze kwetsbaarheid, we bewaken het, maar daarmee sluiten we de bron af van alles wat we nodig hebben: vreugde, creativiteit, vernieuwing.”


‘Het heeft me een jaar therapie gekost om in te zien dat kwetsbaarheid de enige deur naar intimiteit is’


Dr. Phil, zelfhulpgoeroe of spirituele leraar is Brené Brown nochtans niet. Situeer haar gerust in de maatschappijkritische hoek van zorgverleners als Paul Verhaegen en Dirk De Wachter.


Brown is professor in de Sociale Agogiek aan de Universiteit van Houston, en raakte in 2010 bekend bij het grote publiek door de ontwapenende speech over kwetsbaarheid die ze gaf op een TED-conferentie. Had ze geweten dat het evenement werd gefilmd, en dat er in de jaren nadien een slordige 9 miljoen mensen haar verhaal zouden aanklikken en delen, dan had ze misschien nooit durven vertellen dat ze in therapie was gegaan, geeft ze toe. Dat was nodig: tijdens haar onderzoek naar wat mensen belemmert om gelukkig te zijn kreeg ze zelf last van angst- en paniekaanvallen.


“Het kwam erop neer dat wie gelukkig is geen ontwijkend leven leidt”, vertelt ze tijdens een telefonisch interview vanuit Houston, Texas. “Mensen die zich goed voelen, vragen hulp als ze dat nodig hebben. Ze durven over hun gevoelens te praten, gaan de moeilijke gesprekken aan. Ze durven zich met andere woorden kwetsbaar op te stellen. And I was not walking my talk. Ik ben een angsthaas, een perfectionist, een regelaar, een controlefreak. Ik hou niet van wanorde en chaos. Het heeft me een jaar therapie gekost om in te zien dat kwetsbaarheid de enige deur naar intimiteit is.”


Dat inzicht bleek een kantelpunt, in haar privéleven – “Al heb ik nog steeds niet alles op een rij” – maar ook in haar werk.


GEGEVENS MET EEN ZIEL


Brené Brown noemt zichzelf onderzoeker-verhalenverteller. “Verhalen zijn gegevens met een ziel”, zegt ze. Voor haar onderzoek gebruikt ze de gefundeerde theoriebenadering, een in de sociale en menswetenschappen wel vaker gebruikte kwalitatieve onderzoeksmethode. Kort komt dit erop neer dat men mensen interviewt over een thema zonder daarbij een hypothese voorop te stellen of sturende vragen te stellen. Wat komt bovendrijven aan kernwoorden en rode draden doorheen alle verhalen is de onderzoeksvraag, en meteen de sleutels naar mogelijke antwoorden. Uit de meer dan 1.200 interviews die Brown afnam van mannen en vrouwen uit verschillende lagen van de bevolking, kwam kwetsbaar durven zijn als een van de antwoorden. Maar wat was de vraag dan?


Brené’s oorspronkelijke onderzoeksproject was uitzoeken hoe verbondenheid in elkaar zit. “Wetenschappers zijn het er intussen over eens dat we neurologisch geprogrammeerd zijn om verbinding aan te gaan met elkaar. We zijn gemaakt om te geven, te zorgen, empathisch te zijn. Maar wat betekent het precies, en vooral, wat weerhoudt ons ervan om het te doen? Wat telkens opnieuw opdook was de angst voor gebrek aan verbondenheid. De stress die we hebben als we iets hebben gedaan of gelaten dat ons liefde en waardering kan onthouden, kun je samenvatten als schaamte. Maar schaamte is niet bepaald een ideaal studieobject. Niemand wil erover praten, net omdat het zo’n krachtige, pijnlijke en complexe emotie is.”


Toch gooide ze zich op het onderwerp. Zes jaar lang worstelde ze met het begrip, en probeerde ze vat te krijgen op schaamte en wat de juiste connectie was met kwetsbaarheid. Brown: “We leven in een tijd waarin iedereen zo’n beetje naar elkaar staat te kijken en zich afvraagt hoe het komt dat we enkel nog met onszelf bezig zijn. Maar egocentrisch gedrag is diepgeworteld in schaamte. Mensen zijn bang, bang om niet goed genoeg te zijn. We leven in schaarste. Het ego is een ritselaar die altijd meer wil. We zijn niet dun genoeg, ons huis is niet groot genoeg, we voelen ons niet veilig genoeg, en niet genoeg geliked op Facebook. Hoe komt dat? Waarom doen we zoveel moeite om waardevol te worden gevonden? Zijn we dan vergeten dat elk mens een intrinsieke waarde heeft die niet moet worden bewezen?”


SHAME SHAME


Net in die twijfel, zo bleek uit de gegevens die ze verzamelde, ligt de bron van schaamte, en uiteindelijk ook vele vormen van gebroken gedrag. “Schaamte is dat intens pijnlijke gevoel dat we het niet waard zijn om graag gezien te worden en ergens bij te horen. De meest menselijke en primitieve emotie die we kennen, en vooral een emotie met een geheugen. Iedereen kan zich een bepaalde gebeurtenis voor de geest halen en zich meteen weer schamen. Schaamte is dodelijk en we zitten erin tot over onze oren. Het kruipt in elk hoekje van je leven, het bepaalt alles. Het kan plots komen, maar we kunnen er ook in zwelgen, een heel leven lang. Recent onderzoek heeft overigens aangetoond dat er een rechtstreeks verband is tussen schaamte en verslavingen, agressief gedrag, misbruik, eetstoornissen en pesten.”


Schaamte is zo oud als de mens zelf. Elke samenleving heeft voorbeelden van hoe het wordt toegepast om burgers in het gareel te houden. Van schandpalen tot gevangenissen. “Schaamte is ook een psycho-sociaal-culturele constructie, inderdaad. Er zijn vast momenten in de geschiedenis te vinden waar het efficiënt was. Schaamte is het meest gebruikte, maar ook het schadelijkste tuchtwapen. Het is een feit dat je mensen breekt als je hen een schaamtegevoel geeft. Mensen worden er gevaarlijker door, niet minder gevaarlijk. Hoe meer we te weten komen over mensen en de neurobiologie, hoe duidelijker het wordt dat schuldgevoel en empathie veel betere instrumenten zijn om gedragsverandering te bekomen. Schaamte weerhoudt hen er net van om empathisch gedrag te vertonen en op een gezonde manier te connecteren met de wereld.”


HET EFFECT VAN NEERHALEN


Net in dat laatste schuilt volgens de studie het verschil in verbinding. Brown: “Het grote verschil tussen mensen die gelukkig zijn en zij die worstelen met het leven, is dat de eerste de diepe overtuiging hebben dat ze het waard zijn om geliefd te zijn en bijgevolg minder moeite hebben om zich kwetsbaar op te stellen. De anderen, die minder goed zijn in relaties, zullen de kwetsbaarheid ondraaglijk vinden en proberen om dat gevoel te verdoven.”


Dat doen we op allerlei manieren, maar een van de ergste is volgens Brown vreugde neerhalen. “Het is zo herkenbaar”, vertelt ze. “Op het moment dat we diep geluk ervaren, als je bijvoorbeeld staat te kijken naar je slapend kind, of als we vaststellen dat ons leven op rolletjes loopt, dan duikt die angst op dat er iets ergs zal gebeuren. Als je je op dat moment niet kunt openstellen voor dat positieve gevoel, verandert het in doem. Geluk betekent dan plots dat het slechter zal worden.”


Ze herinnert zich een man die ze interviewde voor haar onderzoek. “Hij vertelde me dat hij zijn hele leven middelmatig had geleefd. Hij had erover gewaakt niet te blij te zijn, niet te triest, zo kon hij niet teleurgesteld worden. Tot hij op zijn 60ste verjaardag zijn echtgenote verliest in een auto-ongeluk. ‘Ik wist het meteen’, zei hij. ‘Ik had volop moeten genieten van de mooie momenten in mijn leven, want niets kan mij beschermen tegen wat ik nu voel.’”


De conclusie? Brown: “We oefenen voortdurend voor de tragedie die komt en slaan op die manier de kwetsbaarheid, maar ook de schoonheid en het geluk dood. Als we met hart en ziel willen leven, en volop voor een gelukkig leven kiezen, moeten we onder meer onze angst voor de donkere kant van het leven loslaten. Dat en gevoelens van schaamte, de behoefte aan zekerheid, de wens om gewaardeerd te worden door mensen die ons toch niet moeten, de drang naar perfectie, de neiging om functioneel te zijn, twijfelend en angstig. Maar vooral, en dat is misschien nog het moeilijkst, de drang om alles, inclusief onszelf, te controleren.


“Lach, zing en dans”, lacht Brené Brown. “Ook al vind ik dat ontzettend veel gevraagd voor een academica, de onderzoeksresultaten liegen niet.”


Brene Brown


Jean-Marie Dedecker

LDD

We leven in een maatschappelijk model waarin socialistische ideeën eerder afremmen dan bevrijden.


Beste John,


Ik schrijf je dit briefje niet uit leedvermaak, daarvoor ben ik zelf teveel vertrappeld geweest door de bottines van de macht en weggehoond door het spreeuwengedrag van de kiezer. Ik schrijf het eerder uit mededogen en als voorbehoedsmiddel tegen wat nog kan komen, want na hoogmoed komt de val.


De verkiezingen van 14 oktober bevestigden nogmaals dat de electorale afslanking van je partij stilaan op haar sociologisch minimum stuit. Van succesverhaal naar de palliatieve zorgen op vijftien jaar tijd. Het gratisverhaal van Steve Stevaert en het Teletubby-interludium waren de laatste stuiptrekkingen van een opgewarmd lijk. Een nieuwe roos als logo was amper een nieuw kruis met een doornenkroon. We leven in een ander maatschappelijk model waarin de socialistische collectivistische ideeën eerder afremmen dan bevrijden, waarin jullie de verworven rechten ten allen prijze verdedigen in plaats van nieuwe te omarmen. Waarin stakingen van overbetaalde loodsen en luchtverkeersleiders in levensnoodzakelijke economische sectoren enkel nog een chantagemiddel zijn voor zieltjeswinst van de vakbonden, en het sociaal overleg van bagagedragers opgeofferd wordt voor pestgedrag van onschuldige reizigers.


Bij Bpost heeft iedereen nu vijf dagen bedenktijd om te beseffen dat brieven vervangen zijn door e-mails en pakjes. Progressieven zijn conservatieven geworden zonder bagage. Je bent onderdeel geworden van een elite die enkel nog omkijkt naar de achterblijvers en dan vol ongeloof vaststelt dat deze 'restjesmensen' niet meer willen volgen. Je ideologische ton klinkt zo hol als een leeg vat.


Volgens de Nederlandse filosoof en financieel geograaf Ewald Engelen zijn er drie oorzaken voor de ondergang van de Europese sociaaldemocratie: ten eerste de zogenaamde Derde weg waarbij ze het neoliberalisme en de marktwerking hebben omarmd en daarbij hun eigen ideologie hebben opzijgeschoven. Ten tweede de technocratisering van het economisch beleid, waarbij nauwelijks nog ideologische keuzes worden gemaakt. En ten derde is rechts erin geslaagd om het vooral om cultuur en identiteit te laten draaien in de politieke discussie.


Je staarde je zo blind op het vals electoraal potentieel van de migranten dat je je eigen achterban uit het oog verloor. Links heeft zich in de hoek van het multiculturele en het politiek correcte laten duwen, hopeloos op zoek naar applaus van mensen die toch niet voor hen stemmen, van hoofddoekengedoogbeleiders tot macrobiotische baarden en onbespoten groentevrouwtjes. Linkse identiteitsfetisjisten hadden het enkel nog over erkenning, aanvaarding en verbinding van minderheden. De ideeën van de verlichting, van de vrouwenemancipatie en van de seculiere maatschappij verdronken stilaan in het bad van de aparte zwemuurtjes. Zelfcensuur en zelfverloochening op het altaar van achterlijke godsdiensten en culturele gebruiken nekten de socialistische basisbeginselen.


De rode, linkse politieke kaste is zich steeds zelfgenoegzamer en elitairder gaan gedragen waardoor haar achterban haar als zakkenvullers is gaan beschouwen. De groenen - sociaaldemocraten met een diploma - hielden hun blazoen schoon, en haalden ondertussen de loft- en salonsocialisten als kiesvee binnen. De "onfatsoenijken" hadden ondertussen in blok Het Belang ontdekt. De socialistische plucheklevers, regenten met een nasleep van graaiverhalen, stonden zo dicht bij de mensen dat ze in hun zakken zaten, symbolen van belangenvermenging, cliëntelisme en arrogante verslaving aan de macht. Het schaamrood moet bij jou toch gloeien vanonder je kruin tot onder je voetzolen, beste John. Mensen zijn misnoegd omdat ze het gevoel hebben dat politici niet langer doen waarvoor ze verkozen zijn, namelijk de belangen van de burger dienen.


Uit onderzoek naar het vermogen van Britse politici blijkt dat verkozenen twee keer zo rijk worden als politici die op dezelfde lijst stonden, maar niet verkozen geraakten. Ze komen sneller in contact met het bedrijfsleven, werken als lobbyist of zetelen in raden van bestuur. Het inkomen uit arbeid daarentegen is overal in Europa gedaald en de verdeling van het sociaal systeem, dat met de lasten op arbeid is opgebouwd, gaat proportioneel meer naar mensen die er niet hebben toe bijgedragen. Het aantal werkzoekenden met migratieachtergrond stijgt in alle steden. In Antwerpen is 70% van de laagopgeleide werklozen van buitenlandse afkomst. In Gent 61,8%. Straks zullen we het niet meer weten. Minister Philippe Muyters schrapte de allochtonen als aparte doelgroep uit de statistieken omdat 'ieder werkzoekende een probleem is en omdat elk kleurtje dat eraan hangt van ondergeschikt belang is'. Er bestaan geen grotere leugens dan gemanipuleerde statistieken.


De volkshuizen liepen leeg en de gesubsidieerde theehuizen vol. Arbeidersgezinnen verloederden en vervreemden in hun eigen stedelijke biotoop, maar werden door links gebrandmerkt als verzuurd en onverdraagzaam. Wie het gedrag van rancuneuze criminele jongeren met al of niet fundamentalistische neigingen aanklaagde, werd door links als racist en islamofoob weggezet. Diegenen die niet konden stemmen met hun voeten namen weerwraak in het stemhokje.


Je hebt nu nog minder politieke speelruimte dan een varken in de bio-industrie. Eten en stilliggen, omdraaien kan niet meer. Er is nood aan een stevige moker, maar ideologisch incontinent kan je enkel nog een deuk in een klompje boter slaan. Door je eenzijdig cumulatieverbod op politieke mandaten, theoretisch lovend maar praktisch electorale zelfmoord, volgen zelfs je eigen rode kameraden niet meer, bont geklopt in Vilvoorde en 't land uit in Brugge. In je heimat Oostende werd je mentor Johan Vande Lanotte door zijn schootzeehondje Bart Tommelein als keizer van zijn kleren ontdaan. Een koekje van eigen verraderlijk deeg en dan maar naakt over de schutting.


Je beloofde voor de verkiezingen dat je zou opstappen als de uitslag in oktober zou tegenvallen in de steden. Welnu het is zover, beste John. Enkel boven Tobbackgrad wappert er nog een rode vlag. Maar dan nog op de kantelen van de afkalvende Leuvense burcht waar Louis aan de poten van je voorzittersstoel gezaagd heeft, uit rancune voor de onbekwaamheid van zijn zoon babyback. 'Als je politieke vrienden hebt heb je geen vijanden meer nodig', waarschuwde kameraad Camille Huysmans 100 jaar geleden al.


Je hebt amper nog een hoofddoekje voor het bloeden. Trek je terug in de cocoon waarin je genoegzaam gedijt: als docent aan de Gentse Universiteit. De laatste vrijhaven waarin het links progressief gedachtegoed nog gesluierd voort sluimert, en waar het soms zelfs een vereiste lijkt om met zeep in de mond te mogen meepraten. Academische vrijhavens van zelfgenoegzaamheid vol Safe Spaces, schilden voor de vrienden, ver weg van de maatschappij die genoeg heeft van de rode riedels en eerder rechts afdraait dan de plat getreden linkse paden te blijven bewandelen. Ideologische zuiverheid en toezien of anderen het ook puur zijn lijken mij er de voornaamste bezigheid. Een uitje naar het laatste socialistische experiment, de heilstaat Venezuela, zou je enig vooruitschrijdend inzicht kunnen bezorgen, maar ik vrees dat je dan aan de Prozac geraakt.


Vaert wel ende levet scone, kameraad.


Jean-Marie Dedecker


Lees dit artikel in Knack


Mark Elchardus

Emeritus professor sociologie aan de Vrije Universiteit Brussel (VUB)

Opiniemaker bij De Morgen.

Een paar weken geleden viel ik toevallig op deze statistiek: op het einde van de jaren 70 verdiende de gemiddelde Amerikaanse CEO dertig keer zoveel als de gemiddelde Amerikaanse werknemer. Vandaag: 339 keer zoveel. In Europa blijft zo’n ongelijkheid ons voorlopig bespaard. Waarom?


Een belangrijke rol wordt gespeeld door de instellingen en de spelregels die in het verleden werden opgebouwd, waaronder de wet op de partijfinanciering. Die beperken de invloed van groot geld. In de VS betalen miljardairs voor asociaal beleid en grote ongelijkheid, daar komt het op neer. In een echte democratie worden partijen door lidgeld en door de overheid gefinancierd en door niets of niemand anders. De wijze waarop miljardairs stichtingen, scholen, ngo’s, middenveldorganisaties en dergelijke bedruipen en sturen, dient eveneens aan banden gelegd. Beter dat de overheid zelf de kritische tegenstem financiert: organisaties, studiediensten en mensen onderhoudt, die het voor hun achterban en hun zaak kunnen opnemen tegen het regeringsbeleid.


Bij ons is de kans inderdaad groot dat een voor de regering kritische opinie geschreven is door iemand die uiteindelijk door die overheid wordt betaald. Hetzelfde geldt voor de mensen die het gros van de betogingen organiseren. Wij leven in het land van het gesubsidieerde protest. Dat klinkt misschien gek, is meteen goed voor wat cynische grapjes, maar op de keper beschouwd heeft het stelsel van de gesubsidieerde tegenstem meer voor- dan nadelen. Onze overheid betaalt voor redelijke oppositie.


Spontane bewegingen


Een groot gevaar is wel dat de kritische tegenstem volkomen bepaald wordt door een relatief kleine kring van gelijkgezinden. Als mensen in de organisaties van de gesubsidieerde tegenstem sterk op elkaar gaan gelijken qua opleiding, opvattingen en levenswijze, ontstaat een situatie waarin geopinieerd, geprotesteerd en betoogd wordt zonder voeling met de meerderheid van de mensen. Daarom zijn spontane, niet-gesubsidieerde bewegingen iets om naar uit en naar op te kijken, of ze nu wit of geel zijn.


Neem nu de gele hesjes. Ondanks de soms grimmige acties lijkt het me toch vooral te gaan om werkende mensen en mensen die hun pensioen dubbel en dik hebben verdiend. Mensen voor wie het einde van de maand niet probleemloos is. Zij leven zonder buffer: een onverwachte uitgave is een probleem, indien al geen ramp. Zij leasen hun auto niet. Voor de deur staat een diesel, gekocht omdat dit fiscaal werd aangemoedigd. Die moet nog vijf à tien jaar meegaan. Zij wonen niet in een omgeving waar een bakfiets handig is. Als ze werken, loopt hun wekker al heel vroeg af. Zij staan haast dagelijks in de file, die door een krankzinnig mobiliteitsbeleid kunstmatig wordt verlengd. Zij hebben zich een houtkachel aangeschaft omdat ze dachten dat dit ecologisch was. Zij vragen zich geregeld af wat er met hun belastinggeld gebeurt. Krijgen het gevoel dat neergekeken wordt op hun manier van leven, terwijl ze de indruk hebben dat deze nu net heel gewoon, ja normaal is.


Het gaat om veel meer dan de prijs van diesel. Het gaat om een manier van leven, een vraag voor respect en voor een beetje gezond verstand bij het nastreven van een andere manier van leven.


Overleeft die beweging? Waarschijnlijk niet. Overleven veronderstelt harde structuren, alsook een duidelijk beeld van voor- en tegenstander. Ecolo/Groen lijkt geknipt voor de rol van tegenstander: zij willen een sneller en eenzijdiger pad naar duurzaamheid, hebben een andere levenswijze, gebruiken andere vervoersmiddelen, leven al consequent anders. Het ontbreekt die partijen echter aan de moed om zich duidelijk tegen de gelehesjesbeweging uit te spreken.


Toen Emmanuelle Praet op RTL de evidente tegenstander van de gele hesjes aanwees, protesteerde de top van Ecolo meteen. Praet werd zowaar aan de deur gezet. De aandacht ging daarop naar de vraag of de vrijheid van meningsuiting in het gedrang kwam. Maar even belangrijk is de vaststelling dat de groene partijen niet de moed hebben om tegen een opstandige straat duidelijk te zeggen of ze voor of tegen zijn. Dat is nochtans wat dergelijke bewegingen van alle politieke partijen, niet alleen van de groene, mogen verwachten: duidelijkheid, geen kronkelende en fantasierijke interpretaties.


Ontgoochelde mensen terugwinnen


Wie is echt voor? Welke partij wint deze in de politiek en de overheid diep ontgoochelde mensen terug? Wie recupereert ze, kiest hun kant? Wie tempert de vervelende betutteling in de naam van het beter weten, wie zorgt ervoor dat die mensen meer verdienen, dat hun werk beter beloond wordt, dat overheidsbudgetten in hun voordeel worden herschikt, dat hun levenswijze en hun kijk op het leven worden gerespecteerd, ook door mensen die fanatiek worden omdat ze denken dat ze de planeet aan het redden zijn.


Ook als ze verdwijnt zonder diepe sporen na te laten, maakte de gelehesjesbeweging duidelijk hoe eentonig de gesubsidieerde tegenstem vandaag klinkt. Om voeling te houden met de samenleving dient de overheid dringend andere geluiden te subsidiëren. De bandbreedte van wat mag gezegd, kan best ook weer wat ruimer worden.


Mark Elchardus

De Morgen.



Dirk De Wachter

Psychiater

Liefde schuilt in de gewonigheid

Zo'n drie miljoen alleenstaanden telt Nederland, bijna een kwart van de meerderjarige inwoners. Het idee dat we het leven wel alleen aankunnen, groeit. Tegelijk zijn datingsites en apps als Tinder en Happn populairder dan ooit. Het roept de vraag op of er een ander voor nodig is om gelukkig te zijn. We vroegen het psychiater Dirk De Wachter, die er een boek over schreef.


U bent relatietherapeut, ziet u veel stellen die worstelen met de liefde?


'Het boek is geschreven vanuit mijn expertise, mijn praktijk is mijn inspiratie. Ik heb de afgelopen dertig jaar honderden stellen gezien. Natuurlijk zaten daar vechtscheidende, over de grond rollende koppels tussen, wees gerust, dat is van alle tijden. Dat zijn de stellen voor wie het echt voorbij is en die naar mij komen, als relatietherapeut, niet voor een oplossing, maar om bevestiging te krijgen dat het inderdaad niet verder kan, alsof ze dat willen laten bezegenen. Na twee, drie gesprekken geef ik dan aan dat ze beter naar een notaris kunnen gaan dan naar mij.'


'Maar wat me opvalt is dat er de laatste jaren veel koppels langskomen die aangeven dat het voorbij is, dat ze niet meer samen verder kunnen, zonder dat er grote conflicten zijn. Hun relatie is gestrand in ledigheid. Zonder ruzie, zonder grote onenigheid of conflicten, zonder drama, ontstaat het gevoel dat er niets meer is, dat het opgedroogd is. Dat is me erg opgevallen. En zoals ik voor die vechtscheidende stellen vaak niets kan betekenen, zo kan ik ook voor de koppels die al te ver de doodlopende straat ingetrokken zijn weinig doen. Mijn boek heeft ook iets preventiefs, ik wil mensen laten nadenken alvorens het allemaal misloopt.'


Wat zegt u tegen stellen die de doodlopende straat ingegaan zijn?


'Ik probeer niet te veel voor hen te spreken, maar ze samen te brengen en te laten spreken met elkaar. Dat is soms heel ontluisterend. Het is meerdere keren gebeurd dat een stel bij een eerste consultatie constateert dat ze in geen jaren op een dergelijke wijze met elkaar hebben gesproken. En heel vaak ontdekken ze dan dat ze elkaar ook niet zo heel veel te vertellen hebben. Dat moeten ze zelf ontdekken, ik ga mensen niet vertellen hoe ze zich moeten voelen. De essentie van therapeutische hulp is mensen in hun nadenken te stimuleren en ze zelf beslissingen te laten nemen.'


Hebben al die stellen u het antwoord inmiddels gegeven; is liefde een onmogelijk verlangen?


'Mijn redenering is dat de onmogelijkheid van de liefde, als duurzame, blijvende eeuwigheidswaarde, juist maakt dat we blijven streven. Juist omdat het niet lukt om eeuwig en altijd fantastisch samen te zijn, om te versmelten als het ware, blijven we streven. Het is een paradox: het blijvende verlangen naar de liefde wordt gevoed door de onmogelijkheid ervan. En dat is een goede boodschap, vergis je niet. Mocht het wel lukken, mocht het verlangen gerealiseerd worden, mochten we op het punt komen dat het nooit meer stuk kan, juist dan is de mislukking nabij. Er zijn mensen die mijn boek lezen en dan denken dat mijn opvatting is dat het inderdaad onmogelijk is, de liefde. Of die denken dat ik de liefde maar banaal vind, dat ik stel dat je tevreden moet zijn met een tweede keuze, met een soort grijzige nietsigheid. Maar dat zeg ik absoluut niet. Mijn boodschap is dat juist in de gewonigheid de liefde zich in zijn volle pracht laat zien.'


"De liefde is broos, het blijft zoeken, het blijft onvoorspelbaar. En dat is maar een geluk ook."


Wat verstaat u onder duurzame liefde?


'Hoe lang is dat dan, vragen mensen me vaak, maar ik wil dat niet vast omlijnen. Een tijdje, dat zal het wel moeten zijn, een one night stand lijkt me wat kort. Duurzame liefde is meer dan tijd. Het is een beleving. Het heeft te maken met waarachtigheid, is meer dan een bevlieging, meer dan een strovuur. Het is iets fundamenteels. Liefde laat zich moeilijk in woorden vatten. De psychologische taal, de wetenschappelijke taal schiet altijd tekort. Liefde is mysterieus, gevoelsmatig, ondefinieerbaar, en complex.'


Het moet je overkomen?


'Ik zie wel dat mensen op zoek gaan naar de liefde. Ik denk dat we ontmoetingen kunnen faciliteren, maar dat de liefde inderdaad iets is dat je overvalt. Leonard Cohen zingt: 'I stepped into an avalanche, it covered up my soul.' Het is een soort noodlottige overrompeling, die soms komt op totaal onverwachte wijze. Dat is het goede nieuws: dat ze zo onverwacht komt. Het slechte nieuws is dat ze ook totaal onverwacht weer gaat. Als je denkt dat je het goed voor elkaar hebt. Wij zijn goed bezig, ons kan niets overkomen, dat zijn standpunten die mij een beetje bang maken. Dat zijn de mensen die een week later in zak en as kunnen zitten omdat er een ander op het pad is gekomen. De menselijke psychologie, zeker in de liefde, is iets onvatbaars.'


Zoek de liefde in de gewonigheid, zegt u.


'Ja, en dan bedoel ik vooral dat je samen met je geliefde op zoek gaat naar de liefde. Samen met je partner op zoek naar invulling. Dan ben ik inderdaad geneigd om het advies te geven een wandeling langs de oevers van de Schelde te maken – ik woon in Antwerpen – en niet een trip te boeken naar de Cayman-eilanden om daar in een bubbelbad te gaan zitten. Ik denk dat het beter werkt om gewone dingen te doen en daar de pracht van de verbinding in te vinden, dan prachtige dingen te doen en daar in de banaliteit van de verbinding terecht te komen.'


Toch hebben we de neiging om het in die grote gebaren te zoeken.


'Dat hebben we in alles in deze consumptiemaatschappij. En die consumptiemaatschappij klopt dat ook heel erg op. Het lijkt erop dat ons leven alleen vervuld kan zijn als we fantastische dingen doen. Het lijkt alsof dáár de liefde, het geluk en het ware leven te vinden is. Daar wil ik kanttekeningen bij plaatsen. Ik ben daar genuanceerd in, als mensen nog een bon hebben liggen voor een pretpark, ga dan vooral. Ik ben geen tegenstander van plezantigheid, maar verwacht niet dat daar de zin van het leven zich aandient. De zin van het leven, de liefde, het geluk, die zitten in de dagelijksheid. In het thuiskomen en uw geliefde vastpakken en vragen hoe de dag is geweest. 'Heel gewoon', zal ze dan zeggen, 'maar ik zie u graag.' Daar zit de sleutel, daar zit de duurzaamheid. Want je komt altijd thuis, tussen de citytrips door. Dan moet je je koffers uitpakken, ligt er een brief van de belastingdienst, is de accu van de auto leeg en moet je met je kind naar de spoedeisende hulp.'


Dat zijn nou niet de meest liefdevolle situaties, die u schetst.


'Dat is mijn volgende punt, maar misschien zeg ik nu hele rare dingen. De liefde toont zich niet alleen in de gewonigheid, maar ook in de lastigheid. En dan heb ik het niet over grote drama's, maar over een functioneringsgesprek, waarin je niet erkend wordt voor het werk dat je gedaan hebt. Je baas is ontevreden. Je komt thuis, in zak en as, gekwetst in je rechtvaardigheidsgevoel, en je geliefde luistert, toont zich begripvol. Daarin laat de liefde zich ten volste zien. Juist in die lastige momenten hebben we elkaar nodig. Dan toont zich de hoge nood van de mens aan verbinding, aan iemand om bij te zijn. Als alles goed gaat, dan kunnen we ons eigen plan wel trekken. In de leukigheid lukt het wel alleen, in de lastigheid veel moeilijker.'


We hebben ook het idee dat de liefde maakbaar is. Ik ken singles die met een lijstje kenmerken in de hand zoeken naar een partner.


'Ja, dat is ook van deze tijd, de maakbare mens. Ik denk dat dat voor een groot deel een illusie is. Het leven is een onvoorspelbare tocht. Je geliefde voldoet natuurlijk aan alle dromen die er zijn, maar zonder a priori-lijstje. We zien pas hoe geweldig een geliefde is door zaken die nooit op zo'n lijstje hebben gestaan. Ik vind het heel akelig om een lijstje af te vinken en zo de liefde te zoeken. Dat heeft iets liefdeloos. Maar ik zie ook dat heel veel mensen alleen en eenzaam zijn, en op zoek zijn. Daar is ook een markt voor, voor die zoekende mensen. Een markt van dure relatiebureaus die tegen betaling voor jou de illusie van de droom gaan zoeken. En ook hier moet ik genuanceerd zijn, want soms werkt het. Maar ik denk dat die bureaus werken, niet doordat ze de liefde faciliteren, maar contact. Datzelfde geldt voor Tinder en dergelijke apps. Ik ben daar niet tegen. Ik ben sowieso niet echt een tegenmens, ik ben nogal een voormens. Maar de liefde komt niet uit een app, die wordt je gegeven.'


Er zijn veel mensen kritisch op die apps.


'Het dreigt het relationele oppervlakkig te maken. Als het de contacten kan faciliteren en mensen kan samenbrengen en dat dan het mysterie van de liefdevolheid volgt, dan ben ik voor, graag zelfs. Maar als het verwordt tot oppervlakkig rond-swipen, om te hoppen van de een naar de ander, om de onvolmaaktheid van de lijstjes te bewijzen, dan gaat het de liefde in de weg staan. Maar eerlijk gezegd: ik weet het ook niet. De liefde blijft voor mij een eeuwig mysterie. Ik zie stellen die alles hebben om samen gelukkig te zijn, en toch lukt het niet. En andersom zie ik ook verschrikkelijke combinaties en dan blijkt het toch te gaan. Wie ben ik om daarover te oordelen?'


De liefde laat zich niet van tevoren vastleggen?


'En daarna ook niet. De liefde blijft broos, het blijft zoeken, het blijft onvoorspelbaar. En dat is maar een geluk ook, dat het leven zich niet laat richten naar statistieken. Het leven moet gebeuren, het is niet in tabellen af te rekenen.'


Dirk De Wachter

Psychiater



Paul De Grauwe

Professor economie aan de London School of Economics and Political Science

Iemand met enkele miljarden op zijn spaarrekening is een gevaar voor de democratie.

Intervieuw: John Vandaele - Mondiaal Nieuws

Globalisering is een begrip dat opgang maakte in het laatste decennium van de vorige eeuw. Het woord werd eigenlijk de naam van ons tijdperk. Het gaf weer hoe de wereld(economie) steeds meer één werd: meer handel, meer kapitaalstromen, meer investeringsakkoorden,… En vooral: er was een geloof dat het met globalisering voor iedereen beter zou gaan. En dat we er dus allemaal belang bij hadden om de internationale markten almaar meer hun gang te laten gaan.


MO* documenteerde met recente cijfers van de Verenigde Naties en de Wereldhandelsorganisatie dat die evolutie nu is stopgezet. De wereld ‘deglobaliseert’: er zijn nu minder internationale kapitaalstromen, minder nieuwe buitenlandse investeringen, minder internationale investeringsakkoorden en de internationale verwevenheid in de productie nam lichtjes af.


Die evolutie is het gevolg van een aantasting van het vertrouwen wegens de financiële crisis en de toenemende handelsspanningen door de invoertarieven van de Amerikaanse president Donald Trump. Het geloof dat globalisering voor iedereen een goede zaak zou zijn, lijkt voorbij. De Amerikaanse president zegt dat ook luidop en neemt maatregelen die de handelsstromen en geldstromen belemmeren. Antiglobalistische maatregelen dus. Maar zijn ingrepen staan ver van de sociale, ecologische en fiscale afspraken die de andersglobalisten destijds eisten om tot een andere en betere globalisering te komen.


Paul De Grauwe, professor economie aan de Londen School of Economics ziet dat laatste ook niet meteen gebeuren.

‘Ik geloof niet dat de globalisering zomaar kan gestuurd worden. Ook de globalisering zelf is niet op een gestuurde manier tot stand gekomen. Het is pas nadat China en Rusland vaststelden dat hun model niet zo goed werkte om de materiële welvaart te verhogen, en ze beslisten zich open te stellen in de richting van de vrije markt, dat de globalisering een feit werd.’


‘Het was dus eigenlijk meer een reactie op de excessen van een ander model. En wat je nu ziet, is opnieuw een tegenreactie omdat de globalisering op grenzen stoot. Omdat dit model grote ecologische problemen veroorzaakt zoals de klimaatverandering. En omdat er een probleem is met de verdeling van de welvaart: het systeem slaagt er niet in om de welvaart goed te verdelen onder de mensen. Ik denk dat momenteel vooral die toegenomen ongelijkheid, en het feit dat groepen mensen niet of te weinig profiteren, meer doorweegt dan het ecologische. De verkiezing van Trump en Brexit zijn daar alleszins symptomen van.’


Maar bieden Trump en de Brexit ook soelaas voor het probleem van die ongelijkheid?


Neen, dat doen ze niet. Eigenlijk wordt het lijden van die verliezers van de globalisering geaccapareerd door de economische elites die vervolgens een eigen agenda doorvoeren. Zo voert Trump belastinghervormingen door waar vooral de rijkste mensen beter van worden. Ook de Brexiteers droomden ervan om van het Verenigd Koninkrijk het Singapore van Europa te maken met lage belastingen en dus meer beperkte sociale voorzieningen. De mensen worden dus gemanipuleerd.


Trump pakt het verkeerd aan


Trumps beweert nochtans dat hij met zijn invoertarieven industriebanen zal terugbrengen naar de VS?


Dat werkt niet, dat zie je nu toch al. GM kondigde deze week aan dat het vijf fabrieken sluit in de VS. Trump bewijst zijn totale onwetendheid. Als je een tekort op de lopende rekening hebt en op je handelsbalans, wat is dat eigenlijk? Dat betekent eigenlijk dat je meer consumeert dan je zelf produceert. Als je pakweg 100 produceert en je consumeert 105, dan kan die vijf alleen maar uit het buitenland komen. Per definitie. Dat kan vele oorzaken hebben: het kan het gevolg zijn van het feit dat je niet competitief bent, dat je het lastig hebt om aan de eigen vraag tegemoet te komen. Dat is in de VS niet geval, meen ik. Daar is het een gevolg van een begrotingsbeleid en een monetair beleid dat aanzet tot consumeren.


Nochtans wijzen mensen als Jonathan Holslag in de richting van China hiervoor.


Hij begrijpt daar kennelijk niks van. Ik hoorde hem onlangs praten over een berekening die hij had gemaakt. Hij sprak over een handelstekort als over een kost – het heeft zoveel gekost. Maar tegenover handelstekorten staan ook wel goederen, he. Je krijgt daar iets voor terug. Dat is geen kost. Dat leek hem te ontgaan. Het is beter je toe te leggen op de dingen die je begrijpt.


Dramatisch doen over de EU is overigens misplaatst. De EU heeft een positieve handelsbalans met de rest van de wereld, ook al is er op onze balans met China een tekort. Je hoeft niet met elk land een positieve handelsbalans te hebben. Landen specialiseren zich nu eenmaal: het tekort met het ene land wordt goedgemaakt door het overschot met een ander land. Let op, dat wil niet zeggen dat je geen kritiek kan uiten op China. Ze stelen intellectuele eigendom van ons. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat wij hetzelfde gedaan hebben in hetzelfde stadium van ontwikkeling.


Lieven Bauwens heeft een standbeeld in Gent omdat hij textieltechnologie smokkelde uit Engeland.


Zo is het.


Wat moet Trump dan wel doen om dat tekort weg te krijgen? Moét hij dat tekort weg krijgen?


Dat hoeft niet meteen, maar op termijn wel. Hoe moet je dat doen? Niet met invoertarieven. Dat is een instrument dat je kan gebruiken om bepaalde sectoren van de economie te beschermen. Maar een globaal tekort pak je aan door terug de tering naar de nering zetten. Minder overheidstekorten en een hogere rente zodat er minder op krediet kan worden gekocht. Maar Trump doet juist het omgekeerde. Het overheidstekort stijgt sterk en hij zet de Fed onder druk om de rente laag te houden. Daardoor zal het tekort nog toenemen (vorige maand werd inderdaad een record gevestigd inzake het handelstekort met China, jvd).


De VS kunnen ook zo makkelijk boven hun stand leven omdat het buitenland hen graag krediet geeft. Ze beschikken immers met de dollar over de reservemunt van de wereld. Dat is een enorm privilege. Daar hoor je Trump nooit over bezig. Toch zijn ze ook op dat gebied gevaarlijk bezig. Door uit de Irandeal te stappen en te zeggen dat ze iedereen die nog zaken doet met Iran gaan sanctioneren, werken ze in de hand dat de EU werkt aan een internationaal betalingsinstrument rond de euro. Opdat olie ook in euro’s kan worden betaald. Volgens mij zullen ze daartoe een publieke financiële instelling moeten scheppen want geen enkele grote private Europese bank zal het risico willen lopen door de VS gesanctioneerd te zullen worden. Hoe dan ook, de VS zijn met vuur aan het spelen; ze dreigen dat enorme privilege van de dollar te verwateren.


Samengevat. Trump wil het handelstekort bestrijden met invoertarieven maar dat is het verkeerde instrument. Is er dan niemand die hem daarop kan wijzen?


Die waren er zeker. Maar als je iedereen ontslaat die je daarop wijst, kan je gewoon voortdoen.


Toch kan zijn aanpak leiden tot een verdere handelsoorlog met China. Vraag is bijvoorbeeld of dat conflict op de G20-top dit weekend in Argentinië, verder escaleert of niet.


Dat zou zomaar kunnen.


En als het escaleert, gaan we dan evolueren naar verschillende handelsblokken die grotendeels op zichzelf staan?


Voorspellen is moeilijk. Maar voorlopig zijn er geen grote spanningen tussen China en de EU, dat zie ik daar nog niet meteen gebeuren. Maar mocht het nodig zijn, kan dat. De multinationals die nu hun producten laten assembleren in China, kunnen dat ook elders laten gebeuren. Dat zal misschien wat tijd vergen, en wat fricties veroorzaken maar het kan.


Hoe de ongelijkheid dan wel aanpakken


Wat zou er dan wel moeten gebeuren om de ongelijkheid aan te pakken?


Belastinghervormingen die de hogere inkomens wel meer belasten.


Waarom gebeurt dat dan niet?


Omdat er geen intellectuele consensus rond is dat dit de goeie weg is. De meeste economen hebben banden met de financiële sector en die blijven zeggen dat het meer belasten van mensen met een hoog inkomen allerlei vreselijke gevolgen zal hebben. Nochtans, tot de jaren tachtig werd wat mensen boven een bepaald inkomen verdienden, eigenlijk haast van hen afgenomen. In het Verenigd Koninkrijk had je marginale tarieven van 95 procent, dat was in feite bijna confisqueren. Nu ben je een communist als je nog maar in die richting denkt. Kortom, de voorwaarden hiervoor lijken nog niet vervuld.


Er is veel verwarring onder economen. Het feit dat iemand met enkele miljarden op zijn bankrekening eigenlijk een gevaar is voor de democratie, dat besef is bij velen nog niet doorgedrongen.


Is er dan te weinig protest?


Protest is natuurlijk belangrijk. Maar je hebt de twee nodig: een malaise en ideeën, en dus ook rond die ideeën bestaat geen eensgezindheid.


Wat moet er nog gebeuren om de klacht van de mensen te beantwoorden?


Ook inzake onderwijs moet er veel gebeuren. Vroeger waren er veel meer gelijke kansen op dat gebied. In de VS en het VK zijn die kansen er voor veel mensen nu gewoon niet. Hoger onderwijs is onbetaalbaar geworden voor velen. Ook de sociale zekerheid afbouwen onder invloed van de globalisering, moet worden vermeden.


Dat doet me denken aan het nieuwe boek van professor De Ville. Hij wijst erop dat in de EU over de jaren heen de interne marktwerking zo versterkt is geworden dat ze drukt op de nationale welvaartstaten.


Eén antwoord daarop kan zijn om sociale investeringen op Europees niveau te realiseren of te reguleren zoals Frank Vandenbroucke dat voorstelt. Veel te vaak wordt gedaan alsof die investeringen onproductief zijn. De visie is: als we alles vrij laten, komen we er wel. Maar veel mensen krijgen de kans niet om hun potentieel waar te maken. Dat is een enorm verlies voor een samenleving. Daarom zijn investeringen in onderwijs en sociale bescherming juist heel productieve investeringen.


Klimaat: de EU voert geen samenhangend beleid


Ecologie is de andere achillespees van de globalisering. Deze week kwamen de VN met een rapport dat we veel meer moeten doen om dramatische klimaatverandering te voorkomen.


Misschien is dat wel het grotere gevaar dat samenlevingen echt kan destabiliseren. Vooral omdat het zo onvoorspelbaar is en er plotse versnellingen kunnen optreden. Met herverdelingsproblemen hebben we ervaring, we kunnen dat beter beheersen. Dit is onbekend terrein dat catastrofale gevolgen kan hebben.


President Trump zegde dat hij de studie van de VN niet gelooft.


Dat is de incompetentie van die ene man. Tevens rijdt hij voor miljardairs met een andere agenda die al jaren de klimaatwetenschap ongeloofwaardig proberen te maken.


Ja, maar je hebt er toch ook miljardairs met andere meningen?


Juist, je krijgt dan een botsing van ideeën en dat verwart toch veel mensen. Wie moet je nu geloven?


Toch toont elk onderzoek aan dat de meeste Amerikanen willen dat er een sterker klimaatbeleid wordt gevoerd. Het is dus ook een falen van de democratie.


De VS zijn een plutocratie geworden. De mensen met veel geld, zetten hun wil door.


De Europese Commissie stelde deze week redelijk ambitieuze klimaatdoelen voor met zelfs één scenario van geen uitstoot meer in 2050.


Ja, dat is goed. Maar ik zie een enorme tegenstelling tussen dat lovenswaardige objectief en het feit dat de EU tegelijk publieke investeringen zo goed als onmogelijk maakt.


Hoe bedoel je?


De EU eist budgetten in evenwicht. Dat betekent concreet dat regeringen een overheidsinvestering voor honderd procent moeten inbrengen in de begroting van dat ene jaar. Dat is waanzin. Een productieve investering heeft immers voordelen die zich verspreiden over vele jaren. Dan zou het gepast zijn om ook de kosten te spreiden over al die jaren. Dat kan je dus doen door een lening aan te gaan die je over vele jaren afbetaalt en ook zo inbrengt. Dat mag dus niet. Je moet dat dus voor de volle pot inbrengen en in evenwicht blijven. Wat dus betekent dat je ofwel de belastingen moet verhogen, of besparen op andere vlakken, zodra je een grote investering doet. Dat maakt dat politici nog moeilijk kiezen voor investeringen: zij moeten immers alle politieke kosten nu dragen, terwijl de politieke voordelen gespreid worden in de toekomst. Het is geen rationele manier om de zaak te benaderen. En het is ook niet houdbaar: zie naar onze afbrokkelende infrastructuur.


Hoe verklaar je die Europese begrotingshouding?


Er spelen twee dingen. Enerzijds is het een fundamenteel cynische kijk op de overheid die elke overheidsinvestering als weggegooid geld bekijkt. Als niet productief. Dat is de visie van chief economisten van Vlaanderen zoals Geert Noels.


Hebben die dan Mariana Mazzucato niet gelezen die aantoont dat de overheid, in de VS bijvoorbeeld, met de openbare financiering van fundamenteel onderzoek aan de basis ligt van het internet, gps, de i-phone, het zoekalgoritme van Google,…?


Ze geloven daar niet in. Ze schuiven dat opzij. De tweede reden is dat Duitsland dat heeft opgedrongen. Je kan dus geen nieuwe obligaties uitschrijven waardoor je dus ook veel moeilijker de noodzakelijke klimaatinvesteringen kan doen.


Hoe kan dat veranderen? Hoe is het voorheen veranderd? Want nog niet zo lang geleden hadden we overheidsbanken, veel publieke investeringen, vormen van economische planning?


Er waren problemen met dat model. Grote bureaucratieën, veel kosten, en dus veel belastingen en ongenoegen daarover. En dan waren er voorstellen: zo moet het. Je moet de markt veel meer laten spelen: privatiseren, dereguleren… Als dat dan initieel succes heeft, volgen anderen. Nu kunnen we opnieuw zoiets meemaken. Mogelijks worden kapitaalbewegingen weer aan banden gelegd en heeft dat succes en krijgt dat navolging. Het is bijna een evolutionair proces met kleine mutaties die uitgetest worden en indien succesvol, tot een paradigmawissel leiden.


China test vaak nieuwe dingen uit in een deel van het land en als het daar werkt, wordt het uitgebreid.


Inderdaad. Zo werkt het daar ook.


Zal het Chinese succes met zijn grote rol voor de overheid ook geen invloed hebben?


Mogelijks. Ik vind dat ze daar overdrijven met de rol van de overheid. Maar het zou best kunnen dat we een beetje opschuiven in hun richting.


Als je met dat land moet wedijveren zonder overheidsinvesteringen wordt dat dan niet moeilijk?


Op sommige terreinen wel. Maar daartoe moet je dus dogma’s opzij kunnen schuiven, en vaak moeten eerst de mensen sterven vooraleer die dogma’s verdwijnen.


Is dat niet wat pessimistisch? Een mens kan toch ook evolueren. Bent u daar zelf geen voorbeeld van ? Ik herinner me dat u ook andere ideeën had toen ik u voor het eerst interviewde… dat moet nu haast twintig jaar geleden zijn.


Paul De Grauwe: (Lacht). Ik heb ook dat gevoel dat ik mee geëvolueerd ben. Ik vind dat je visie mee moet kunnen evolueren als er zich nieuwe feiten voordoen. Ideeën zoals dat de markt en alleen de markt voor heil zorgt en de overheid altijd slecht is, kloppen niet. Je hebt de twee nodig. Dat hebben we bijvoorbeeld heel duidelijk kunnen vaststellen met de financiële crisis. Je hebt de twee nodig. Je moet pragmatisch bekijken wat er werkt en wat niet. Niet dogmatisch. Ik heb de indruk dat de jongeren aan wie ik les geef, ook bereid zijn om dat met een open blik te bekijken. Dat biedt hoop.


Intervieuw: John Vandaele - Mondiaal Nieuws

Noam  Chomsky

Amerikaans taalkundige, filosoof, mediacriticus en politiek activist.

Noam Chomsky

De luis in de Amerikaanse pels, is 90.

Een reportage van Kristien Bonneure - VRT.


De Amerikaanse taalkundige en linkse politieke activist Noam Chomsky pende zijn eerste politieke artikel neer toen hij tien was. Hij schreef tientallen boeken en artikels en hij is op zijn 90e nog niet uitgepraat, als uitgesproken criticus van het Amerikaanse beleid en de vrijemarkteconomie. 


Noam Chomsky wordt in Philadelphia geboren als de zoon van joodse immigranten Zijn vader werkte zich op van arbeider tot expert in Hebreeuwse taalkunde, zijn moeder was een linkse intellectuele. In 1939, wanneer Barcelona in handen van de fascisten van Franco valt, schrijft Chomsky zijn eerste politieke artikel, als tienjarige dus. 


Meteen na de Tweede Wereldoorlog gaat hij filosofie, taalkunde en wiskunde studeren. Zijn eerste taalkundige boek “Syntactic structures” verschijnt in 1957. Chomsky doceert vele jaren aan het befaamde Massachussetts Institute of Technology (MIT).


De kern van Chomsky’s taalkundige inzicht is dat elk mens deel heeft aan een “universele grammatica”, waardoor er veel overeenkomsten zijn tussen verschillende talen . Taalvermogen is volgens hem ook aangeboren. “Mijn kleindochter kiest uit de data rond haar en stelt zinnen samen. Een unieke menselijke kwaliteit. Ofwel is dat een mirakel, ofwel hebben we het over een genetische capaciteit,” verklaart Noam Chomsky in een gesprek met de VRT in 2008.


Volledige reportage Kristien Bonneure


 Noam Chomsky

Moreel baken voor een betere, solidaire wereld wordt 90.

Een reportage van Lode Vanoost in De Wereld Morgen.


Noam Chomsky, wetenschapper linguïstiek met wereldfaam en meest geciteerde hedendaagse wetenschapper, is bij miljoenen ook bekend als kritisch analist van het politieke bestel en de massamedia van zijn vaderland, de Verenigde Staten. Wie Chomsky leest of hoort spreken, kijkt met andere ogen naar de wereld. Op 7 december viert hij zijn negentigste verjaardag.


Noam Chomsky werd geboren op 7 december 1928 in Philadelphia, in de staat Pennsylvania. Zijn ouders waren Joods-Amerikaanse leerkrachten, politiek actief in radicaal-linkse milieus. Zijn moeder emigreerde met haar ouders uit Wit-Rusland toen ze één jaar oud was, zijn vader was een Russischtalige Oekraïner, uit een dorpje dat later door de nazi's werd uitgeroeid. Chomsky's ouders vluchtten met hun families naar de VS, kort voor de Eerste Wereldoorlog, waar ze elkaar ontmoetten en samen twee zoons hadden, Noam en de vijf jaar jongere David.


Noam werd vrij jong geconfronteerd met antisemitisme van Ierse en Duitse arbeiderskinderen in zijn buurt. Eén van zijn vroegste herinneringen was echter de brutale repressie van vrouwelijke arbeidsters door privé-veiligheidsagenten, tijdens één van de talrijke stakingen van de Grote Depressie.


Dat hun oudste zoon een zeer intelligent kereltje was met een scherpe analytische geest, bleek al toen hij amper tien was. Hij schreef toen een opstel over een zelf gekozen onderwerp, de opkomst van het fascisme in Europa na de Spaanse burgeroorlog, die door Franco gewonnen werd – geen evidente keuze voor een tienjarige. Hij bleek zich uitgebreid te hebben geïnformeerd alvorens er over te schrijven.


Bertrand Russell

Zijn politieke ideeën deed hij op tijdens bezoeken aan familie in New York, waar zijn ongeschoolde maar wereldwijze oom een kranten- en boekenkraam openhield, dat een verzamelpunt voor linkse, progressieve mensen was. Chomsky zoog het allemaal op en las talloze boeken, tijdschriften en kranten, die zijn oom hem aanraadde, op de trein van en naar huis in Philadelphia, een rit van anderhalf uur.


Zo leerde hij ondermeer de Duitse anarcho-syndicalist Rudolf Rocker, de Britse socialistische schrijver George Orwell en de Britse filosoof Bertrand Russell kennen. Chomsky noemde Russell de grootste inspiratiebron in zijn leven.


Ondanks zijn zeer progressieve opvoeding heeft Chomsky zich nooit tot een ideologie bekeerd. Wel heeft hij meermaals zijn sympathie uitgesproken voor het anarcho-syndicalisme.


Aan de University of Pennsylvania in Philadelphia zag professor linguïstiek Zellig Harris snel het potentieel van zijn jonge student. Hij zette hem aan de menselijke faculteit tot taal te gaan bestuderen. Chomsky ontwikkelde toen al het basisconcept van zijn latere theorie. Volgens hem was de mens geen lege doos die door opvoeding leerde spreken – de heersende gedachte van die tijd.  Hij was daarentegen van oordeel dat de capaciteit tot 'taal' – de fysieke capaciteit van de mens tot het uiten van gestructureerde en door andere personen zinvol interpreteerbare klanken - ingeboren is aan de mens, zoals een zintuig. Alleen de specifieke uiting van die capaciteit in één bepaalde 'taal' is volgens Chomsky omgevingsgebonden.


Tijdens zijn doctoraat ging de 22-jarige Noam met zijn even jonge echtgenote Carol Schatz – die hij reeds als kind kende – een tijd leven op een kibboets in de toen één jaar oude staat Israël. Zij waren overtuigde linkse zionisten. De manier waarop het Palestijns personeel werd behandeld stootte hen echter tegen de borst en ze vertrokken na één jaar.


Samen hadden ze drie kinderen. Zijn vrouw was Carol eveneens een gerespecteerd academicus op gebied van opvoedingspsychologie. Zij was tot aan haar dood in 2008 zijn vaste begeleider en manager tijdens zijn talloze lezingentournees.


In 2014 huwde Chomsky opnieuw met de 55-jarige Braziliaanse taalwetenschapper Valeria Wasserman. Chomsky is heel zijn leven een zeer privé-mens gebleven. In korte interviews praatte hij heel uitzonderlijk toch even over dat nieuwe geluk.


In 1957 publiceerde hij zijn doctoraatsthesis Syntactic Structures, waarin hij op zoek ging naar de basisstructuur die alle talen gemeenschappelijk hebben. Het werd het begin van zijn enorme wetenschappelijke faam, die sindsdien nooit meer is afgenomen. Die faam kwam echter niet onmiddellijk. Aanvankelijk kreeg hij zelfs nergens een aanbod voor werk.


Massachusetts Institute of Technology

Dat veranderde toen het Massachusetts Institute of Technology (MIT) in Boston, één van de meest prestigieuze Amerikaanse universiteiten, brood in hem zag en hem aanwierf. Hij werkte er om ondermeer zijn theorie van de Transformationele Generatieve Grammatica, de basisstructuur van alle wereldtalen, verder te ontwikkelen. Sinds 2017 doceert hij tevens aan de University of Arizona.


Dankzij zijn onderzoekswerk weten we vandaag onder meer waarom kinderen zo gemakkelijk hun moedertaal aanleren en volledig autonoom zinnen - combinaties van woorden in een logische en verstaanbare volgorde - kunnen vormen, die ze nooit eerder hebben gehoord, waarom ze abstracte begrippen kunnen begrijpen en gebruiken en waarom ze ook zo gemakkelijk andere talen dan hun moedertaal kunnen leren (en waarom volwassenen dat veel minder goed kunnen).


Zijn diepe structuur van de taal heeft daarenboven tot zeer belangrijke ontdekkingen geleid in de moderne psychologie. Sindsdien heeft hij meer dan veertig wetenschappelijke werken gepubliceerd (en hebben anderen talloze boeken over zijn wetenschappelijk werk geschreven).


De verantwoordelijkheid van intellectuelen

In het begin van zijn loopbaan hield hij zich ver van politiek. De Amerikaanse invasie van Vietnam schudde hem wakker . Op 23 februari 1967 publiceerde hij zijn allereerste politieke essay The Responsibility of Intellectuals in de New York Review of Books. Daarin verklaarde hij een beschaamd lid te zijn van de Amerikaanse intellectuele gemeenschap, die de neokoloniale agressie in Vietnam bijna unaniem goedpraatte.


Chomsky, op dat ogenblik nog maar 39, was dan reeds één van de meest gerespecteerde academici ter wereld. In latere interviews herinnert hij zich zeer bewust te zijn geweest dat dit essay hem niet in dank zou worden afgenomen door zijn collega's. Hij begon vanaf toen ook deel te nemen aan sit-ins en verbrandingsacties van oproepingsbevelen (de VS hadden nog verplichte legerdienst), waar hij onder meer schrijvers Norman Mailer en Gore Vidal leerde kennen.


Met zijn vrouw Carol overwoog hij in 1967 de mogelijkheid in de gevangenis te belanden en/of zijn baan te verliezen. “We kwamen tot het besluit dat ik hier mee moest doorgaan en dat Carol eventueel de enige broodwinner zou worden van ons gezin.”


American Power and the new Mandarins

Zijn eerste politieke essay werd inderdaad niet geapprecieerd door zijn collegae-academici. Het trok echter wel de aandacht van de kleine progressieve uitgeverij Pantheon Books, die hem voorstelde dit essay te bundelen met een aantal nieuwe, die er op volgden.


Het werd zijn eerste politieke boek, American Power and the New Mandarins (1967). Met de 'Mandarijnen' – de kaste van ja-knikkende adviseurs van de Chinese keizers – bedoelde hij de zichzelf liberaal-progressief noemende intelligentsia, die de goedkeurende ideologische onderbouw verschafte voor het agressieve expansionistische Amerikaanse buitenlandse beleid.


In dit boek ontmaskert hij ook voor het eerst de mythe van de Amerikaanse massamedia die volgens henzelf samen met deze leidende intellectuelen toonaangevend zouden zijn voor de publieke opinie, een thema dat hij heel zijn leven lang bleef bespelen. Die mythe wil dat intellectuelen en de media een bepalende rol zouden spelen in de vorming van de publieke opinie en dat ze meer specifiek een cruciale rol zouden hebben gespeeld in het beëindigen van de oorlog tegen Vietnam.


Integendeel, stelde Chomsky, de bevolking verzette zich reeds lang principieel tegen deze oorlog, terwijl de media en de intelligentsia dat verzet eerst jarenlang negeerden en tegenwerkten. Pas met jaren vertraging en dan nog zeer schoorvoetend volgden zij de publieke opinie. Zij deden dat echter niet omdat zij – zoals de gewone bevolking – deze oorlog "moreel verkeerd en verwerpelijk" vonden, maar omdat de oorlog "niet gewonnen kon worden, te kostelijk was, goedbedoeld maar verkeerd gelopen ...".


Uitgeverij Pantheon Books is later ter ziele gegaan, maar nieuwe initiatieven zoals TheNewPress.com publiceren nog steeds heruitgaven van zijn boeken. In 2015 en 2016 begon Brits uitgever Pluto Press met geactualiseerde heruitgaven van zijn boeken.


Zijn allereerste essay The Responsibility of Intellectuals heeft niets van zijn actualiteitswaarde verloren en is nog steeds aan te raden lectuur, wat je trouwens van al zijn boeken, essays, lezingen, interviews kan zeggen.


Het is na dit eerste essay nooit meer gestopt. Met de regelmaat van een klok verschenen politieke boeken van zijn hand, zonder dat ondertussen zijn wetenschappelijke onderzoek en publicaties verminderden. Zijn lezingen blijven bomvolle zalen trekken. Chomsky is nochtans nooit een bevlogen redenaar geweest. Hij is een eerder monotoon spreker en zoekt nooit retorische trucs. Zijn toehoorders vallen puur voor de inhoud.


Een onwrikbaar rechtlijnig man

Chomsky heeft met zijn politieke werk, sinds de publicatie van The Responsibility of Intellectuals, ook veel vijanden gemaakt. Sommigen critici gingen met hem het correcte debat aan, wat nooit gemakkelijk was. Chomsky's kennis van zaken en analytische logica zijn immers legendarisch. Chomsky was echter altijd een respectvolle gesprekspartner.


Er waren er echter die het spel niet zo eerlijk speelden. Chomsky is meermaals het slachtoffer geweest van lastercampagnes. Meestal werden die vrij snel weerlegd, zoals nog in 2005 toen de Guardian verplicht werd een omstandig excuus te publiceren. Eén van hun journalisten had citaten in een interview verdraaid en door elkaar geschoven om de indruk te geven dat hij niet zou geloven in de massamoord van Srebrenica (in juli 1995 werden in deze Bosnische stad meer dan 8.000 Bosnische moslims vermoord door Bosnisch-Servische milities).


Zo werd ook zijn vergelijking van de verslaggeving over de genocide in Cambodja met die in Oost-Timor door zijn vijanden omgeturnd tot een pleidooi voor de daders van die eerste genocide, de Rode Khmer van Pol Pot. Hij wordt door zijn meest rabiate tegenstanders zelfs een ontkenner van de Holocaust genoemd, een beschuldiging die hem persoonlijk zeer veel pijn doet (en waarvoor nergens in zijn werk bewijzen bestaan).


Op vragen waarom hij zich concentreert op westerse misdaden antwoordt hij altijd hetzelfde: "Het is cruciaal de eigen misdaden aan te klagen, omdat je minstens de kans hebt om er zo iets aan te veranderen. Dat is moreel belangrijker dan het aanklagen van de misdaden van je vijanden. Er is niets heldhaftig aan het veroordelen van de misdaden van je tegenstanders, als je ondertussen de eigen misdaden verzwijgt of goedpraat."


Zijn onwrikbaar principieel standpunt was steeds dat respect voor de vrijheid van meningsuiting betekent dat je vooral het recht op vrije meningsuiting moest verdedigen van personen waar je het zelf fundamenteel mee oneens bent. Ook daar werd hij meermaals voor aangevallen.


"Er zijn nog steeds verbazend veel mensen die niet in staat zijn het onderscheid te maken tussen de principiële verdediging van de vrijheid van meningsuiting en de verdediging van een mening."


De laatste vijftien jaren schrijft hij veel minder. Zijn lezingen vinden echter nog steeds een uitgebreid publiek en worden voortdurend gereproduceerd op internet. Recente boeken zijn redactionele verzamelingen van zijn toespraken, lezingen, interviews, gesprekken. Zijn oudere boeken worden ondertussen nog steeds herdrukt, tot zijn allereerste uit 1967 toe.


Noam Chomsky lezen is de wereld doorgronden zoals hij echt is. Wie Chomsky leest begrijpt de ideologische agenda achter de privatisering van het onderwijs, begrijpt waarom degelijke informatie en commerciële massamedia onverzoenbare tegenstellingen zijn, waarom vakbonden gedemoniseerd worden en waarom sociale actie voortdurend wordt ontmoedigd in de commerciële media.


Wie Chomsky leest begrijpt ook waarom de leidende elites in de westerse democratieën rabiate tegenstanders zijn van democratie in de Derde Wereld.


Net als zijn collega en vriend Howard Zinn benadrukt hij steeds het belang van politieke actie, van sociaal engagement, van organisatie.  Chomsky is niet de man met een kant en klare oplossing, maar wel van de analyse. "Mensen moeten doorgronden wat er gebeurt en waarom, alvorens in actie te schieten. Dat zie ik als mijn taak." Zijn allergrootste verdienste is echter vooral dat hij aanzet tot kritisch denken.


"Mensen moeten eerst doorgronden wat er gebeurt en waarom, alvorens in actie te schieten. Dat zie ik als mijn taak."


Volledige reportage Lode Vanoost

Mark Coenen

Adviseur en opleidingshoofd van de Hasseltse hogeschool PXL

Columnist in De Morgen.


Coenen begon zijn carrière bij de VRT bij Studio Brussel. Daar werkte hij als producer mee aan onder meer Het Leugenpaleis en Studio Kafka. Tussen 2000 en 2002 was hij netmanager van Radio Donna. Tussen 2002 en 2005 was Coenen nethoofd van Studio Brussel. Hij zorgde ervoor dat de zender niet langer geassocieerd stond met een nichepubliek en het een breder draagvlak kreeg.


In 2005 werd hij aangesteld als algemeen directeur van VRT Radio. In die functie was hij betrokken bij de naamsverandering van Radio 3 in Klara. Vanaf 2007 was hij algemeen directeur strategie van de VRT.


Tussen december 2010 en mei 2014 was Coenen nethoofd van Canvas. Hij begeleidde er onder meer de ontkoppeling van Canvas en kinderzender Ketnet. Hij stapte op omdat er een meningsverschil was over de vernieuwing van de zender. Hij kondigde meteen ook aan dat hij de VRT verlaat.


Sinds 2015 is Mark Coenen als opleidingshoofd verbonden aan de opleiding Journalistiek van Hogeschool PXL.

Ook werkt hij als adviseur voor de communicatie bij de Universiteit Gent.


Column in De Morgen - 5 december 2018

"Tom Lenaerts volgde de spelregels niet en mag dus niet meer meedoen"


Als de VRT bij de volgende beheersovereenkomst slechts een aalmoes krijgt, is dat de schuld van Tom Lenaerts.


Van die boer geen eieren. Wat denkt dat meneerke wel?


De scherpe tussenkomst van de doorgaans kalme Lenaerts in het meestal menslievende programma Van Gils & gasten raakte een snaar bij de 360.000 kijkers, die plots weer rechtop in hun zetel zaten.


Cicero uit Lier die twee Catilina’s de mantel uitveegt.


Via een poll in Het Laatste Nieuws betuigde driekwart van de 123.675 – and counting – deelnemende Vlamingen de dag erna hun steun aan de kwieke quizmaster.


Een plebisciet in primetime.


Het was, met enige overdrijving, een historische passage.


Met één kwade beenveeg maakte Lenaerts duidelijk dat deze crisis voor hem geen doordeweekse was, maar een systemische.


Zijn ‘waar zijn jullie eigenlijk mee bezig’ verklankt in één zinnetje de massale afkeer die de Vlaam stilaan krijgt van die gediplomeerde plucheplakkers. Meteen veranderden twee politici die met hun gebruikelijke aplomb hun theater waren komen verkopen in bedremmelde schooljongens, betrapt met hun hand in de suikerpot.


Die gêne was na twee seconden ook weer helemaal voorbij, maar de heren leken toch even te schrikken.

Die hadden ze niet zien komen.


Politici zijn gewoon de media te gebruiken als voetveeg en dienstmaagd die danst op het ritme dat zij aangeven.


Daarvoor gebruiken ze hun trouwe cohorten: actuaprogramma’s, commentatoren, politieke journalisten en andere amuse-bouches, die als nederige werkbijen rond de koningin zoemen en blij zijn met elke morzel aandacht, liefst in de vorm van een interview of primeur.


Dat systeem verschilt in niets van wat er zich in een bijenkorf afspeelt.

De werkbijen verzorgen de koningin: dat bestaat – meldt het gezaghebbende Imkerpedia – uit ‘likken, wassen en voeden’.

Het lijkt wel een beschrijving van Villa politica.


Maar het kan veel erger. Als ooit de geschiedenis van de ondergang van dit Avondland geschreven wordt, zal die beginnen bij de passage van De Wever in De slimste mens. Plots kreeg een politicus menselijke eigenschappen en werd hij een moppentapper.


Antropomorfisme.


Daarna ging het alleen maar bergaf. Met als voorlopig dieptepunt de recente stukjes van de megasympathieke Sven De Leijer in De ideale wereld. Mopjes maken met politici die zich kronkelend van genot laten scheren door Svenneman.


Sven vraagt aan Bart Tommelein om de zak van Sinterklaas te vullen. Waarop olijke Sven: “Kinderen, zo ziet u maar, als er iets is wat politici goed kunnen, dan is het zakken vullen.” De nieuwe burgemeester van Oostende komt niet meer bij.


Ouwe jongens krentenbrood, we kennen elkaar, straks pintje pakken, wanneer gaan we nog eens eten?


Mijn tenen krulden zo hard dat ik drie dagen niet kon lopen.


Die conventie werd door Tom Lenaerts hardhandig doorbroken.


Hij viel uit zijn rol en maakte korte metten met het gekoketteer aan de andere kant van de tafel. Het publiek klapte de handen tot pulp.


De geur van revolutie in de lucht. De Stomme van Portici 2.0 aan de Reyerslaan.


De grootste kritiek kreeg Lenaerts van sommige beëdigde commentatoren die hem verweten het spelletje niet door te hebben. Ze kunnen in hun gerieflijke luchtbel, waar het steekspel gereglementeerd is en volgens geijkte paden verloopt, dat soort cowboys missen als kiespijn.


De koningin dient beschermd.


Zijn uitspraken waren “erover”. Lenaerts is een “nozem”.

Populist. Viezentist. Schermgezicht.


Het de-pot-verwijt-de-ketelsyndroom: een retorische reddingsboei waarmee elke ongewenste kritiek lamgelegd kan worden.


Terwijl de kritiek relevant en gemeend was.

Hij volgde de spelregels niet en mag dus niet meer meedoen.

Zondag presenteert hij weer zijn quizje op Eén.


Zijn jullie niet beschaamd?


Mark Coenen

De Morgen 8 december 2018


Column in De Morgen - 19 oktober 2018

"Eens de overwinning binnen was, kon je de bloeddorst zien in de ogen van De Wever en de grijnslach bij zijn legionairs"


“Lokale verkiezingen”, sprak Wouter Beke in Knack, “je moet eigenlijk zot zijn om mee te doen.”


Sinds vorige zondag weten we dat je eigenlijk ook zot moet zijn om te gaan stemmen.


Op 14 oktober hebben we naast de fanfare van de mank lopende democratie of wat er nog van overblijft ook de uitvaart van de politieke liveverslaggeving meegemaakt.


Al van ’s ochtends werden we platgeslagen met prutreportages over hoe en waar de Bekende Politici gingen stemmen. Geen enkele lokale mandataris of onafhankelijke van de burgerlijst kwam in beeld: altijd diezelfde vermoeide koppen van ‘de brigade der particraten’.


Daar hadden ze bij de VRT hard en lang over nagedacht, want als er één dag is waarop ons belastinggeld moet opbrengen, dan is het wel de dag van de verkiezingen.


“Pieter-Jan, vandaag is het aan jou om je voor de ogen van gans Vlaanderen belachelijk te maken op dusdanige manier dat jouw kleinkinderen nog zullen worden uitgelachen op de speelplaats”, sprak de hoofdredacteur plechtig. “Jij mag voor ons Bart De Wever volgen. Proficiat!”


De Wever, de Nemesis van Deurne, kon zijn lol niet op. Beetje treiterig dollen met de journalist die voor zijn huis stond te schilderen en eigenlijk niets te vertellen had: al op de middag was zijn wraak zoet.


En toen moest het hoogtepunt nog komen: de mars op de discotheek aan het Straatsburgdok. In zijn rug de filmploeg van Jambers, in zijn gezicht de anderen.


Als een sprinkhaan aan een touwtje probeerde Pieter-Jan de nieuwe god van Oude God wat uitspraken te ontlokken. Hij werd vlakaf in zijn gezicht uitgelachen door de verse verkozenen des volks die een zogenaamde testudo vormden voor hun leider. Dat woord bezigde de leider zelf.


Zijn acolieten konden hun lol niet op, al wist driekwart niet wat het woord betekende.


Een testudo is blijkbaar een formatie die in de tijd van de Romeinen gebruikt werd om ten aanval te trekken. Daarbij gebruikten de soldaten hun schild om zich te beschermen tegen de pijlen van de vijand. De testudo van De Wever baande zich 2.000 jaar later een weg, live op tv. Ontzet keken wij toe.


De vijand waren niet de Ostrogoten maar de persmuskieten, want het was payback time.


Vier weken lang hadden ze zich op tv het bloed onder hun nagels vandaan laten halen, met tendentieuze interviews en gauchistische reportages en die cynische zwartmakerij van Zinzen en Van Cauwelaert. Bart was zelfs een keer naar de oogarts gemoeten, omdat zijn ogen bijna uit zijn oogkassen waren gerold bij alweer een boertige vraag van Phara.


Maar nu de overwinning binnen was, kon je de bloeddorst zien in de ogen van de leider en de grijnslach op de gezichten van zijn legionairs. Pure dedain: dat las je in hun wegkijkende blikken. De camera registreerde meedogenloos. Uitlach-tv.


Het was een afgang die minuten duurde. Zonder twijfel het meest gênante tv-moment van het jaar.


Terwijl de uren daarvoor De Vadder en Tanghe en Wauters en Pattyn in hun respectieve tv-studio’s wél niveau haalden en de kijkers wél als volwassenen hadden toegesproken.


Deze verpaupering van het politieke liveverslag is elke omroep, maar zeker een openbare, onwaardig. Het heeft niets meer met journalistiek en duiding te maken, maar alles met platte sensatie en misbegrepen druk van de concurrentie.


Die concurrentie maakte dan weer een prachtige fictiereeks over de verkiezingen, geregisseerd door de Vlaamse Coppola, Paul Jambers.


Ik dacht eerlijk gezegd dat ik naar The Wolf of Wall Street zat te kijken, afgelopen donderdag op VTM.

Topacteurs hoor, die politici, één voor één.

Daar gaan ze later nog ver mee komen.


Mark Coenen

De Morgen 19 oktober 2018


Column in De Morgen - 5 oktober 2018

"De blik van Phara, een anaconda gelijk, verlamt. Haar vragen zijn dodelijk."


Iedereen heeft een week voor de verkiezingen in zijn hoofd allang beslist voor wie hij stemt. Die keuze kan alleen nog veranderen door Zeer Zorgwekkend Nieuws dat ons allen aanbelangt.


Laatste en bekendste voorbeeld is de dioxinecrisis van ‘99, waarbij miljoenen kippen de nek werd omgedraaid omdat ze vol vuiligheid zaten. Na de federale verkiezingen een maand later, verzeilde de CVP voor het eerst in 40 jaar tijd in de oppositie en begon het korte tijdperk van Paars met een groen randje.


In 1995 verwachtte men dan weer dat de SP na de Agusta-affaire gedecimeerd zou worden. Een partijvoorzitter (Frank Vandenbroucke) die smeergeld in brand stak: dat had men nog niet gezien. Dankzij een briljante campagne (‘SP: Uw Sociale Zekerheid’) bleef de schade beperkt en nam de partij zelfs vrolijk fluitend deel aan Dehaene-II.


Conclusie: er zijn geen zekerheden in het leven en in de politiek al helemaal niet. Ook niet bij gemeenteraadsverkiezingen.


De sprint naar 14 oktober loopt voor de politici over een hindernisparcours dat bezaaid ligt met tv-programma’s.

Gelukkig worden die tegenwoordig pas op het laatst op den volke losgelaten.


In 2012 was de VRT meer dan een maand voor de verkiezingen beginnen toeteren op alle mediakanalen. Resultaat waren oververmoeide politici en slappe kijkcijfers.


Uit de krant van 2012:


‘Op Eén is er nog tot vrijdag De laatste ronde met Studio Brussel-presentator Sam De Bruyn. De voorbije weken was er op Eén ook nog Het grote debat, kon je twee weken geleden kijken naar Niet tevreden, stem terug, was er een op jongeren gericht programma De 327 op Eén, MNM en OP12, en besteedde ook Villa Vanthilt aandacht aan de stembusslag van 14 oktober. Ook de VRT-radiozenders doen mee. Radio 1 trekt zelfs met een heuse autocar het land rond.’


“Is dit allemaal nog wel relevant?”, vroeg CD&V-voorzitter Wouter Beke zich af. “De VRT overdrijft. Je kunt je tv niet aanzetten of er is een debat. Het is een heus bombardement”, sprak Bart Tommelein.


Vergeleken met die tsunami is het huidige aanbod niet meer dan wat golfslag op de grote mediavijver.

Maar wat er te zien valt, is snedig en gaat ergens over. En wordt goed bekeken, al zit het jonge volkje op dat moment op die boot van Verhulst op VIER.


Politiek interesseert volgens sommige verontrustende peilingen alleen oude mensen, politieke programma’s dus ook.

In Iedereen kiest op Eén is iedereen die opkomt bang van Phara.


Vlak voor de uitzending zie je lijkbleke mannen en vrouwen hologig ronddwalen in de coulissen, terwijl ze moed worden ingesproken door hun assistenten die het vraaggesprek mee hebben voorbereid. Voorts is het doodstil. Tot iemand snikt. Zijn schmink wordt bijgewerkt.


Achteraf vliegt iedereen in de drank, blij dat men het overleefd heeft.


De blik van Phara, een anaconda gelijk, verlamt, haar vragen zijn dodelijk: gehypnotiseerd stamelen de politici zinledige frases waar kop noch staart aan te krijgen is.


De wanhoop nabij.

Terwijl het simpel kan zijn.

Er is immers niets erger dan gelijk krijgen.


De oplossing: de vraag ‘Was het de fout van uw partij dat...’ beantwoorden met een volmondig ‘Ja!’

Het slaat de interviewer gelijk het wapen uit de handen waarmee hij wilde toeslaan.


Volwassen en deemoedig toegeven dat er iets verkeerd gelopen is en daar de volle verantwoordelijkheid voor dragen: het vloekt met àlles waarvoor de testosterongedreven tafelspringer staat die zich in het binnenzakje van het veston van zowat elke politicus verbergt.


Te vergelijken met de belachelijke verongelijktheid van bekende voetbaltrainers die in vraag worden gesteld.


Allemaal kleine Mourinho’s.

Ze vallen nog liever dood.


Mark Coenen

De Morgen 5 oktober 2018


Jan Balliauw

Oost-Europa expert bij VRT NWS.

"Migratie doet de EU op zijn grondvesten daveren"


Jan Balliauw beschrijft hoe migratie een steeds belangrijker thema werd in de Europese politiek. Van Hongarije tot het Verenigd Koninkrijk veroorzaakte het ingrijpende politieke verschuivingen. "Ook het migratiepact van de VN is nu in die draaikolk terechtgekomen."


Het zijn beelden die op mijn netvlies staan gebrand. Begin september 2015 zag ik in het Hongaarse Röszke in de stromende regen een eindeloze rij mensen wandelen over de niet meer gebruikte spoorlijn tussen Servië en Hongarije. Sommigen kozen het hazenpad eens ze in Hongarije waren en trokken over de velden verder. Maar de meesten gingen gewoon verder naar een geïmproviseerd opvangkamp aan de eerste asfaltweg over de spoorlijn.

De Hongaarse overheid had, na enig talmen en onder grote druk van ngo’s, bussen ingelegd om de pas aangekomen mensen snel weg te brengen van het kamp waar iedere infrastructuur ontbrak om vluchtelingen op te vangen. Bijna allemaal gingen ze naar de hoofdstad Boedapest waar het Keleti-station een draaischijf was geworden voor de doortocht naar Duitsland.


Alle migranten met wie ik toen sprak, hadden het ‘Wir schaffen das’ van de Duitse bondskanselier Merkel goed gehoord.

Vrijwilligers waren in het station druk in de weer met vele kartonnen dozen kleding en andere hulpgoederen die Hongaren hadden geschonken. Zo afkerig de regering Orbán stond tegenover de onophoudelijke migrantenstroom, zo vrijgevig en behulpzaam waren vele gewone Hongaren.


Ik nam met enkele duizenden pas aangekomen mensen, de trein naar Hegyeshalom, de grensovergang met Oostenrijk. Ondanks hun uitputting en de meegemaakte beproevingen, gedroegen de overgrote meerderheid van de passagiers zich uiterst correct. Ze volgden de aanwijzingen van de vrijwilligers die de mensenmassa in goede banen probeerden te leiden. In de trein zaten voornamelijk Syriërs. Herhaaldelijk kregen mijn cameraploeg en ik het voorstel om te gaan zitten, terwijl wij niet zoals zij enkele honderden kilometers hadden gestapt.

Een miljoen migranten

In 2015 kreeg Europa een miljoen migranten te verwerken, drie tot vier keer meer dan normaal. De meesten kwamen uit Syrië waar na 4 jaar oorlog veel inwoners de hoop op een snelle vrede hadden verloren. De vluchtelingenstroom van 2015 naar Europa was evenwel maar een fractie van wat enkele buurlanden van Syrië te verwerken kregen. Jordanië heeft 650.000 geregistreerde Syrische vluchtelingen opgevangen op een bevolking van 10 miljoen. Toch zorgden die vluchtelingen voor een ongekende crisis binnen de Europese Unie waarbij de grondvesten van de Europese constructie in gevaar komen.


De Hongaarse premier Orbán maakte meteen van deze vluchtelingenstroom een Europees probleem. Zijn land werd in 2015 dan ook overspoeld door meer dan 400.000 mensen die allemaal op weg waren naar West-Europa. De vroegere neoliberaal was sinds zijn herverkiezing in 2010 een steeds nationalistischer koers ingeslagen. Daarmee kon hij aan de Hongaren zijn zware ingrepen in de samenleving beter uitleggen.


Al in 2014 had hij gepleit voor een illiberale democratie waarbij democratische vrijheden geen absolute waarden meer zijn, maar worden afgewogen tegenover de noden van de natie. De vluchtelingen boden hem de kans om die lijn nu ook internationaal door te trekken. Hij pleitte voor een harde aanpak van migranten omdat die vooral uit moslimlanden kwamen en daardoor volgens hem de christelijke basiswaarden van de Europese landen in gevaar brachten.

Met een nieuw grenshek aan de Schengengrens tussen Hongarije en Servië wilde Orbán tonen hoe de EU de migrantenstroom zou moeten aanpakken: zorgen dat de buitengrenzen van de Schengenzone echt bewaakt worden en alleen overgestoken kunnen worden mits de nodige toelatingen. Intussen ging hij in zijn communicatie voluit in de aanval.


Voor Orbán waren alle terroristen migranten en moest Europa zich daartegen verdedigen. Hij werd daarbij geholpen door de bekendmaking dat een aantal terroristen die betrokken waren bij de aanslag in de Parijse Bataclan en ook in Brussel, via Hongarije naar Europa waren gekomen. Zij profiteerden van de algemene chaos om ongemerkt naar Europa te reizen. Orbán zei het niet met zoveel woorden, maar door terreur en migratie met elkaar te verbinden, liet hij verstaan dat alle migranten potentiële terroristen zijn. Het ging er in als zoete koek.


Dat de overgrote meerderheid van de migranten echte vluchtelingen waren uit een land in oorlog, dat die helemaal geen kwade bedoelingen hadden, dat zij op zoek waren naar een leven waarbij ze niet iedere dag moesten vrezen dat ze de volgende dag niet zouden halen, kreeg je aan de meerderheid van de Hongaren niet meer uitgelegd. De Hongaarse media, onder toenemende controle van de regering, deden er alles aan om het vijandbeeld over de migranten nog te versterken.


De Hongaarse regering trok intussen ook fel van leer tegen de Hongaars-Amerikaanse miljardair George Soros.


Die zou met de vele miljoenen van zijn Open Society Foundation de Hongaarse samenleving willen ondermijnen. Soros zou samen met de EU een duivels plan hebben opgesteld om Hongarije te overspoelen met migranten zodat de EU-sceptische Hongaarse premier uiteindelijk in het zand zou bijten.


Er waren geen bewijzen voor, maar na een grootscheepse en dure campagne van de regering voor een anti-Soros referendum vroegen veel Hongaren niet meer naar bewijzen. Intussen heeft de befaamde Central European University in Boedapest, door Soros opgericht, beslist om uit te wijken naar Wenen omdat het werken haar in Boedapest door nieuwe wetgeving zo goed als onmogelijk wordt gemaakt.


De gevolgen van de vluchtelingencrisis bleven niet beperkt tot Hongarije. Tijdens de campagne voor het brexit-referendum in 2016 gebruikte het Leave-kamp onder meer beelden van de vluchtelingenstroom om de bevolking ervan te overtuigen dat het Verenigd Koninkrijk weer de controle moest overnemen van de grenzen omdat de EU daar niet in was geslaagd.


Dat het Verenigd Koninkrijk nog altijd zelf de controle had over zijn grenzen, omdat het geen lid is van de Schengenzone, ging helemaal verloren in de campagne. Tot ieders verbazing, niet in het minst van de toenmalige Britse premier David Cameron, stemde de Britse bevolking voor een brexit.

Zelfs tot in de Verenigde Staten waren de repercussies van de gebeurtenissen van 2015 te voelen. Het gaf Donald Trump plots wind in de zeilen voor de presidentsverkiezingen van 2016. Al in de herfst van 2015 maakte hij duidelijk dat de Verenigde Staten onder zijn presidentschap geen enkele Syrische vluchteling zou opnemen en dat zij die onder Obama mochten komen, teruggezonden zouden worden.


Trump maakte van migratie het centrale thema van zijn campagne. Zijn belofte om een muur te bouwen aan de grens met Mexico was een van de hoofdpunten van zijn verkiezingsprogramma. "Build that wall" werd een slogan die op bijna iedere meeting van Trump luidkeels door de aanwezigen werd gescandeerd.


In de Europese Unie gingen allerhande uiterst rechtse partijen zich nog meer dan normaal op het migrantenthema profileren omdat ze daarmee hun vrij abstract eurosceptisch discours een krachtige impuls konden geven. Het legde hen geen windeieren. De Duitse AfD (Alternative für Deutschland) kwam tijdens de verkiezingen van 2017 voor het eerst in het parlement en werd zelfs meteen de derde partij. Het was de eerste keer sinds de Tweede Wereldoorlog dat uiterst rechts in Duitsland weer volksvertegenwoordigers had.


In Italië is vorig jaar de Lega met 17 procent van de stemmen in de regering geraakt. Volgens opiniepeilingen zou de partij vandaag bijna het dubbele halen. Partijleider Matteo Salvini kan als minister van Binnenlandse Zaken een hard antimigratie beleid voeren. Intussen werkt hij met Steve Bannon, de vroegere topstrateeg van Donald Trump, aan een nieuwe beweging, ‘The Movement’, die de EU van binnenuit moet veranderen.


In Frankrijk kon Emmanuel Macron tijdens de presidentsverkiezingen Marine Le Pen met duidelijk verschil verslaan in de tweede ronde maar hij moest er wel het Franse politieke bestel helemaal voor overhoop halen. En Marine Le Pen haalde bijna 34 procent, dat is bijna dubbel zoveel als haar vader Jean Marie Le Pen in 2002.


Inspelen op nationalistische gevoelens, waarbij een bevolkingsgroep wordt afgeschilderd als een gevaar voor de eigen bevolking, is een krachtig recept waarbij het gevaar bestaat dat alle rationaliteit verdwijnt. Het zet een sneeuwbaleffect in gang dat nog moeilijk te stoppen valt. Zoals ik een jaar geleden schreef, heb ik van nabij meegemaakt welke impact nationalistische gevoelens kunnen hebben. De Sovjet-Unie en Joegoslavië zijn er aan ten onder gegaan. Nu davert de Europese Unie op zijn grondvesten.


De nationalistische aandacht richt zich nu op migranten, en dan vooral op mensen die uit de moslimwereld komen.


De verschillende aanslagen in het Westen, eerst door Al Qaeda, dan door Islamitische Staat, hebben bij veel westerlingen het onderscheid tussen de religie en de terroristen die daarvan misbruik maken, doen verdwijnen. Het zijn vooral moslimmigranten die door rechtse krachten zoals de Hongaarse premier Orban worden gezien als een bedreiging voor onze waarden, onze manier van leven.


Zo is het opmerkelijk dat de Poolse regering, die net als de Hongaarse een sterk antimigratie beleid voert, geen problemen maakt over de honderdduizenden migranten in het land uit Oekraïne. Volgens de schattingen van die regering zou het aantal Oekraïense migranten in Polen opgelopen zijn tot 2 miljoen.


VN-migratiepact

In deze omstandigheden valt het politici alsmaar moeilijker om met rationele argumenten over migratie te praten. Voor een groot deel van de Europese bevolkingen is dit een zeer emotioneel thema geworden. Het migratiepact van de VN is in die draaikolk nu terecht gekomen. Nochtans waren de onderhandelingen binnen de VN net opgestart na de crisis van 2015 met de uitdrukkelijke bedoeling om de chaos van dat jaar in de toekomst te vermijden door brede internationale afspraken.


In de eerste helft van 2018 werden 6 onderhandelingsfases doorlopen waarna op 13 juli een definitieve tekst binnen de VN werd aanvaard door alle lidstaten, met uitzondering van de Verenigde Staten. Donald Trump, inmiddels president, had zijn land teruggetrokken nog voor de echte onderhandelingen begonnen. Hongarije trok zich enkele dagen na de goedkeuring van de eindtekst, alsnog terug, waardoor het aantal landen dat de tekst heeft goedgekeurd op 191 uitkomt (op 193 VN-lidstaten).


Pas in de herfst begonnen een groeiend aantal westerse landen problemen te krijgen met de tekst. Oostenrijk, dat sinds 1 juli EU-voorzitter is en tijdens de onderhandelingen de stem van de EU vertolkte, kondigde op 31 oktober aan niet naar de Conferentie van Marrakech te gaan waar het migratiepact formeel moet worden bekrachtigd. De nieuwe bondskanselier Kurz, die in zee was gegaan met de uiterst rechtse FPÖ, vreesde voor het voortbestaan van zijn coalitie.


Verschillende landen in Centraal-Europa, die ook al dwarslagen over pogingen van de Europese Commissie om vluchtelingen beter te spreiden over de lidstaten, volgden het Oostenrijkse voorbeeld. In België begon pas na de Oostenrijkse terugtrekking de politieke discussie binnen de regeringscoalitie die geleid heeft tot de huidige crisis.

De discussie tussen voor- en tegenstanders draait nu vooral over het al of niet bindend karakter van het migratiepact. De voorstanders wijzen erop dat de tekst voor de eerste keer met een breed internationaal akkoord probeert wat orde in de chaos te brengen ook al staat er duidelijk in dat het niet gaat om juridisch bindende afspraken en behouden de lidstaten hun souvereine rechten. Voor de tegenstanders zet het pact evenwel de deuren open voor migratie vanwege de positieve benadering ervan is en houdt de tekst wel degelijk een engagement in. De landen die zich akkoord verklaren met de tekst, zijn moreel verplicht om die engagementen uit te voeren. In rechtse kringen bestaat ook de vrees dat advocaten en rechters het migratriepact zullen gebruiken in hun motiveringen, dat het een vorm van 'soft law' wordt.


Maar deze discussies en de beslissingen van een aantal westerse landen om de Conferentie van Marrakech niet bij te wonen, gaan op het eerste zicht niet veel veranderen aan het eindresultaat. De tekst die op 13 juli is goedgekeurd, ligt vast en daarover wordt normaal gezien niet meer opnieuw onderhandeld. De bijeenkomst in Marrakech is georganiseerd om de VN-lidstaten die tekst plechtig te laten goedkeuren.


Om het belang ervan te benadrukken, zijn regeringsleiders en staatshoofden uitgenodigd zodat het een echte topbijeenkomst wordt. Als vele westerse landen zouden wegblijven, zou dat natuurlijk een belangrijk politiek signaal zijn. Het zou het ook eenvoudiger maken voor de tegenstanders van het migratiepact om dat af te schilderen als een tekst die vooral oog heeft voor de armere landen van waar de migranten komen, niet voor de verzuchtingen van de rijkere landen die migranten opvangen. Het zal de aanvaarding van de tekst evenwel niet tegenhouden want een meerderheid van de VN-lidstaten gaat er nog altijd wel mee akkoord.


Na Marrakech gaat de tekst naar de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties om de tekst vast te leggen in een resolutie. Ook daarvoor is er binnen dat orgaan nog altijd een voldoende grote meerderheid. Een Belgische tegenstem zal daar weinig aan kunnen veranderen, een onthouding nog minder. Onthoudingen tellen binnen de VN niet mee om de meerderheid van de uitgebrachte stemmen te berekenen.


Resoluties van de Algemene Vergadering van de VN zijn in tegenstelling tot die van de Veiligheidsraad, niet bindend voor de lidstaten. Geen enkele lidstaat kan worden gedwongen dergelijke resoluties uit te voeren.  Landen die een resolutie van de Algemene Vergadering naast zich neerleggen, kunnen niet gesanctioneerd worden. Zo aanvaardde de Algemene Vergadering eind november nog 6 resoluties die Israël veroordelen, maar die verder zonder gevolg voor Israël zullen blijven.


Wat de Belgische regering ook doet, de trein van het migratiepact is al enkele maanden geleden vertrokken.


Hij is intussen dicht bij het eindstation aangekomen, en er lijken geen zijsporen meer te zijn die de bestemming nog kunnen veranderen. Maar de politieke crisis van de afgelopen weken in diverse Europese landen heeft wel aangetoond dat migratie een bijzonder gevoelig onderwerp blijft.  Internationale akkoorden daarover, waarin altijd compromissen zitten, kunnen plots problematisch worden als ze negatief in de publieke belangstelling komen, vaak onder invloed van sociale mediacampagnes.


Jan Balliauw

Oost-Europa expert bij VRT NWS.


Noot: in bovenstaand artikel is niet overal de correcte terminologie gebruikt voor de woorden vluchteling / migrant / asielzoeker.



Joël De Ceulaer

De Morgen

Analyseert de partij van De Wever en Francken



"Van hondenfluitje tot trombone: waarom we N-VA nu ‘radicaal rechts’ mogen noemen"


Nu N-VA omwille van het migratiepact de stekker uit de regering heeft getrokken, kan een hardnekkig misverstand naar de schroothoop. De partij van Bart De Wever en Theo Francken hoort wel degelijk thuis in het rijtje van Trump, Wilders en Orbán.


Ooit moet een politieke wetenschapper daar eens een doctoraat over schrijven. Over de fluwelen handschoentjes waarmee zoveel Wetstraat-watchers de voorbije jaren de N-VA hebben aangepakt, met de hoofden eendrachtig en metersdiep in het zand, niet bereid of niet in staat om de simpele waarheid onder ogen te zien: dat de N-VA geen dam is tégen, maar deel uitmaakt ván de radicaal rechtse golf die Europa overspoelt.


Historici zullen de oren voelen flapperen bij de soms verbluffend kritiekloze behandeling die De Wever te beurt viel.


Mocht de N-VA geen Vlaamse, maar pakweg een Hongaarse of Italiaanse of Franse partij zijn geweest, dan zou die schroom niet hebben bestaan. Dan zou iedereen veel strenger zijn geweest. En dan zouden zowel het discours als het beleid van bijvoorbeeld kopman Theo Francken vlotjes zijn ingedeeld bij dat van Europa’s populisten.


Gelukkig had men een goed excuus om niet door te pakken: Vlaams Belang. Die partij is altijd wél eensgezind in de zak van het rechts-populisme gestopt.


In de commentaren die volgden op de brexit, en daarna op de verkiezing van Donald Trump, waren het Tom Van Grieken en de zijnen die altijd in één adem werden genoemd met Marine Le Pen, Geert Wilders, Viktor Orbán en de anderen. Nooit Bart De Wever en de N-VA. Als dat doctoraat er komt, met de nodige bijlagen en ferm notenapparaat, zal iedereen die commentaren eens rustig kunnen nalezen.


De donkere flank

En ja, natuurlijk past Vlaams Belang naadloos in dat rijtje van Wilders en Orbán. Het is zeker niet verkeerd om hen daarin op te nemen. Het vroegere Vlaams Blok was zijn tijd dan ook ver vooruit. Wat Europa na de aanslagen van 11 september 2001 meemaakte, had Vlaanderen in de jaren 90 al beleefd: de opmars van een partij die gretig teert op xenofobie, autoritarisme en aanvallen op pers, gerecht en middenveld.


En ja, toen N-VA het politieke strijdperk betrad, deed ze dat als een – zoals dat heette – ‘fatsoenlijk rechts’ alternatief. Centrumrechts, zeg maar. Nationalistisch, maar inclusief. Dat De Wever erin slaagde om kiezers weg te halen bij Vlaams Belang, leidde tot applaus op alle banken. De draak leek verslagen, de dreiging afgewend.


Maar die fase ligt achter ons. Behalve aanvallen op pers, gerecht en middenveld werden ook xenofobie en autoritarisme gaandeweg een handelsmerk van N-VA. Nooit expliciet, natuurlijk. Het bleef bij dog whistle politics – een hondenfluitje hoort niemand, alleen de doelgroep. Xenofobie kan worden verspreid per hondenfluitje: officieel hoort niemand iets verkeerds, maar de boodschap komt wel aan, via de tweets van Francken en de uitspraken van De Wever – als het over Mawda en haar ouders ging, of over jongeren met Arabische roots, of over Berbers – over vreemdelingen, kortom, of toch: mensen die door de witte stamboom-Vlaming als vreemdelingen worden gezien.


Het onderscheid tussen N-VA en Vlaams Belang is niet langer fundamenteel, maar gradueel: een kwestie van nuance.


De voorbije weken is dat hondenfluitje een trombone geworden. Vandaag mag iederéén het horen: de N-VA schaart zich luidkeels achter het verzet dat bij radicaal rechts weerklinkt tegen het VN-migratiepact. Dat De Wever de overblijvende regeringspartijen de ‘Marrakech-coalitie’ noemt, is geen toeval. Marrakech ligt niet alleen in Marokko, het klinkt allicht eng in xenofobe oren. Dat is de bedoeling. Telkens als een N-VA’er straks de term ‘Marrakech-coalitie’ gebruikt, mag u in de verte Geert Wilders horen roepen: ‘Wilt u meer of minder Marokkanen?’


De campagne die vorige week zogezegd per abuis werd gelanceerd door de propaganda-afdeling van partijwoordvoerder Joachim Pohlmann was evenmin toeval, en ook geen uitschuiver: wie zijn columns in deze krant een beetje volgt, weet dat Pohlmann, samen met Francken, de donkere flank van de partij vertegenwoordigt. De flank die bang is dat de barbaren straks aan de poort staan, en dat we ons daartegen moeten wapenen.


Met de val van deze regering over het migratiepact is het die flank die het gehaald heeft. Weg met de impact van de immer fatsoenlijke Geert Bourgeois, weg met de progressieve mensenrechtendenkers Jan Peumans, Elke Sleurs en vele anderen. Net zoals de Zweedse coalitie mét N-VA is ook de centrumrechtse coalitie bínnen N-VA gevallen.


Het mag nu voor iedereen duidelijk zijn: de N-VA is een radicaal rechtse partij. Het onderscheid met Vlaams Belang is niet langer fundamenteel, maar gradueel, een kwestie van nuance. Tussen haakjes: geen van beide partijen is ‘extreemrechts’. Die term wordt best bewaard voor partijen die niet vies zijn van geweld en die de parlementaire democratie willen afschaffen. Gouden Dageraad is extreemrechts. Vlaams Belang en N-VA niet.


Het rechtse antiglobalisme

Vlaams Belang en N-VA zijn dus niet antidemocratisch, wel integendeel: ze bewijzen de democratie een dienst. In een democratie zijn duidelijke standpunten gezond. Zo valt er tenminste iets te kiezen straks. Zo staat er tenminste iets op het spel. De tijd dat mensen nog wel van regering konden veranderen, maar niet meer van beleid, zoals de boutade lang heeft geluid – die tijd ligt achter ons. Vandaag gáát het ergens over.


Over soevereiniteit, bijvoorbeeld. We hebben in de 20ste eeuw nogal wat soevereiniteit overgedragen aan inter- en supranationale organisaties. Zowel door de Europese Unie als door de Verenigde Naties worden haast geruisloos veel ingrijpende beslissingen genomen, die zelden of nooit aan de kiezer worden voorgelegd. Zo groeien vormen van globaal bestuur die binnen de natiestaat steeds vaker op verzet stuiten. Het is de botsing tussen begrensde democratie en het globale liberalisme van mensenrechten. De botsing tussen een kosmopolitische elite en de burger onder de kerktoren.


Als N-VA in mei 2019 geen verpletterende overwinning boekt, zal dat een blamage zijn. Het is alles of niets.


Met dat debat is niets mis. Het komt geen moment te vroeg, het komt veeleer decennia te laat. Daarom was de uithaal van Tom Lenaerts bij Van Gils & gasten zo ongepast. “Los het op!” zei hij tegen Peter De Roover van N-VA en Kristof Calvo van Groen. Terwijl dit niet op te lossen valt: Groen en N-VA staan hier lijnrecht tegenover elkaar. Zij verschilden daarover gisteren van mening, zij verschillen daarover vandaag van mening, en zij zullen daarover morgen nog altijd van mening verschillen. Calvo en De Roover moeten dit niet oplossen, de kiezer moet dit oplossen. Ook Tom Lenaerts, dus. In mei 2019.


De N-VA denkt dat de identitaire kerktoren – het rechtse antiglobalisme, zeg maar – het zal halen op de pleitbezorgers van de liberale wereldorde, of wat daar tegenwoordig nog van overblijft. Dat heeft de partij met zoveel woorden laten verstaan: in het parlement is een tweederdemeerderheid vóór het VN-pact, maar bij de bevolking is een meerderheid tégen dat pact. Aldus Bart De Wever. Dat is een zware gok.


En het ruikt naar populisme, omdat het een tegenstelling impliceert tussen volk en elite. Is het parlement niet bij uitstek de plek waar de wil van de bevolking zich manifesteert? Ja, toch? Met andere woorden: als N-VA in mei 2019 geen verpletterende overwinning boekt, zal dat een blamage zijn voor de radicaal rechtse flank. Het is alles of niets. Tenzij de kiezer om welke reden dan ook alsnog vroeger wordt opgetrommeld, wordt zondag 26 mei alweer een feestdag voor de democratie. Of het ook een feestdag wordt voor de liberale democratie, dát valt nog te bezien.


De illiberale democratie

Want laten we ons niet vergissen. Laat alle commentatoren nu eindelijk de hoofden uit het zand halen en het stof uit hun ogen wrijven.


In mei volgend jaar staan niet alleen de mensenrechten van Soedanezen, Marokkanen en Syriërs op het spel.


In mei volgend jaar staan ook ónze rechten op het spel. Zowel Vlaams Belang als N-VA sturen aan op een ‘illiberale’ democratie, een democratie waarin de rechtsstaat verzwakt wordt. Waarin men uw huis gewapenderhand kan betreden als u mensen zonder papieren herbergt. Waarin men mensen die hier geboren en getogen zijn hun Belgische nationaliteit kan afnemen. Waarin men Belgische kleuters nog liever in oorlogsgebied laat creperen dan het fatsoen te hebben om hen terug te halen. Waarin men doelbewust een asielcrisis creëert om de bevolking angst aan te jagen.


Dat Maggie De Block, als opvolgster van Francken op het departement Asiel en Migratie, onmiddellijk heeft beslist om de asielquota op te heffen, wijst erop dat de partijen van de regering-Michel II zich bevrijd voelen, de schouders rechten en een ruggengraat kweken. Ook dat is pure winst met het oog op de komende verkiezingen, want behalve met milde commentatoren was De Wever tot dusver ook gezegend met zwakke tegenstanders.


We gaan onvoorspelbare tijden tegemoet. Maar als de kiezer zich herinnert dat N-VA niet heeft gepiept terwijl het migratiepact werd onderhandeld en merkt dat het verschil tussen Vlaams Belang en N-VA klein geworden is, dan zal de kopie weer terrein moeten prijsgeven aan het origineel. Tel daar het ongenoegen van ondernemers bij op, die van N-VA meer hervormingen hadden verwacht, en het is duidelijk dat De Wever voor de stekker die hij uit de federale regering heeft getrokken misschien nooit nog een nieuw stopcontact vindt. Tenzij in Antwerpen, waar hij noodgedwongen de staatsman speelt die zich verzoent met de socialisten. Al die acrobatie: het politieke circus blijft verbazen.


Joël De Ceulaer

De Morgen 10 december 2018



Hans Vandeweghe

De Morgen



"Het is een wonder dat ik nog rechtsta”

Ex-ploegleider Johan Bruyneel, voor het leven geschorst


Zijn vrouw was al weg toen hij in oktober levenslang werd geschorst. Zijn kinderen hoort of ziet Johan Bruyneel (54) voorlopig niet meer. De ex-ploegleider van Lance Armstrong ging in survivalmodus en haalde in zijn woonplaats Madrid de fiets van stal. “Ik heb mensen afgesnauwd en ik ben arrogant geweest, maar ik moet verder.”


Johan Bruyneel rijdt over de M-40 van het restaurant in La Moraleja richting de wijk Barajas, waar mijn hotel ligt. “Ik ben veranderd”, heeft hij een paar keer gezegd in de afgelopen zes uur dat we zijn leven hebben gefileerd. “Ik weet hoe ik vroeger was: niet altijd de aardigste.”


Ik stel hem gerust. Dat hij altijd respect heeft betoond en dat een discussie op niveau aan hem wel was besteed. Hij glimlacht. Zeven en een half jaar geleden zaten we samen op Sloane Square, waar hij tussen de riches of London resideerde, en ik vroeg hem bij wijze van afsluiter hoe groot de kans was dat de hemel op zijn hoofd zou vallen. Hij antwoordde eerlijk: “Die kans bestaat, maar moeten ze nu echt koeien van tien jaar geleden uit de gracht halen?”


Was het maar bij de hemel gebleven. Inmiddels is ook de grond onder hem weggespoeld. Ooit was Johan Bruyneel de onbetwiste heerser bovenaan de voedselketen van de koers. In 2012 werd hij op non-actief gezet en na de Oprah Winfrey-bekentenissen eind 2013 van zijn kopman/vriend Lance Armstrong werd hij een outcast in zijn sport. In oktober van dit jaar heeft hij in een zelf aangespannen beroepsprocedure alsnog levenslang gekregen. De grote dopingheks – die hij níét was, voor alle duidelijkheid – moest op de brandstapel.


We rijden Barajas binnen en stoppen aan een verkeerslicht ter hoogte van de Melía Barajas. “Hier in dit hotel sliepen soms renners van ons als ze…”. Ik maak zijn zin af: “…bij Fuentes (de Madrileense dopingdokter, HV) kwamen?” Een inside joke. We lachen. “Serieus, dat hotel waar hij zijn bloedtransfusies deed, dat was hier ook ergens in die buurt, dicht bij de luchthaven. Handig, met renners die van overal kwamen. Maar wij gingen niet bij Fuentes, dat weet jij wel.”


Wat weten we van die onzalige tijd? Veel inmiddels, te beginnen met al die federale onderzoeken van de Amerikaanse belastingen. Nog meer, met dank aan al die gedetailleerde getuigenissen van collega’s van Lance Armstrong. Haast alles, toen ook de last man standing – Lance himself – bij Oprah overstag ging. ‘Did you?’ ‘Yes, I did.’


We weten dat Armstrong, naast wie Bruyneel als renner in het peloton had gereden, hem had gevraagd om zijn sportdirecteur te worden. We weten dat Armstrong in 1999 zijn eerste Tour won. Een voormalig kankerpatiënt won de zwaarste sportwedstrijd ter wereld, een wonder was geschied.


We leerden nadien uit publicaties van de Franse sportkrant L’Equipe dat dit gebeurde op epo, het fameuze, toen nog onopspoorbare hormoon dat het bloed van meer zuurstof voorzag. In 2004 al lazen we in L.A. Confidentiel van David Walsh en Pierre Ballester dat er van alles fout was aan Armstrong; naasten hadden getuigd.


We zagen hem zeven Tours op rij winnen, de ene al makkelijker dan de andere, de laatste twee in 2004 en 2005 met de vingers in de neus. En toen stopte de beste ronderenner uit de geschiedenis en kon een hoofdstuk worden afgesloten.


‘We zijn ten onder gegaan aan overmoed en door foute inschattingen,

zoals de bekentenis van Lance bij Oprah.

Die is in zijn gezicht ontploft’


Of toch niet, want hij kwam terug in 2009 en iedereen dacht: ai, hybris, als dat maar goed afloopt. Die uitkomst is gekend.


Geen interview, had Johan Bruyneel eerst gezegd. “Ik werk aan een boek.” En toen, out of the blue: “Kom toch maar af, maar ik ga niet alles vertellen. Er moet ook nog wat in mijn boek. Ik heb geen mooi verhaal, maar probeer het positief op te schrijven. Meer vraag ik niet.”


Ik begin met een grapje. Je hebt je vandaag nog niet boos gemaakt op Twitter?

Johan Bruyneel: “Toch wel. Daarnet nog heb ik Antoine Vayer (ex-wielertrainer en consultant van ‘Le Monde’, HV) van antwoord gediend. Ze hebben een video gemaakt van Lance Armstrong en linken daarin het feit dat hij aan zijn broek trekt aan het bestaan van een motortje. Hoe bestaat het? Lance had een tic nerveux en trok inderdaad aan zijn broek, maar wel om dat zeemvel op zijn plaats te houden."


“Lance zegt net als jij dat ik beter niet reageer, maar het is sterker dan mijzelf. Dat is het enige voordeel aan een levenslange schorsing: ik kan zeggen wat ik wil. Wat kunnen ze doen? Mij twee keer levenslang schorsen?”


De Amerikaanse dopinginstantie USADA is ook je favoriete schietschijf.

“Zij wilden de kop van Armstrong en co, en al de rest was bijzaak. Hun reasoned decision waar ze zo graag naar verwijzen, is sensatie en zeker niet objectief. De getuigen is beloofd dat ze geen straf zouden krijgen als ze ons maar aan de galg praatten. Een aantal heeft gezegd hoe het echt ging. Anderen hebben overdreven en sommige getuigenissen zijn verdraaid. Wat mijn zaak betreft, waren de zwaarste beschuldigingen verjaard. In een normale rechtspraak, zeggen mijn advocaten, is er geen zaak, of krijg ik hooguit een lichte straf. Maar sportrechtspraak is anders, en de regels worden geïnterpreteerd à la tête du client.”


De omschrijving ‘most sophisticated doping program’ klopte alvast niet...

“Dat was het ook niet. We deden minder dan onze dichtste concurrenten.”


...maar misschien logistiek het beste georganiseerd, door de controlefreak in jou.

“Zo ben ik. Maar wij gingen niet naar Fuentes om bloed te laten invriezen en in een bank te bewaren. Van de zaak Fuentes is nog niet alles geweten. Ik weet wie bloedzak 22 is (een van de 211 zakken die zijn gevonden bij Fuentes, HV) en ik ken nog een paar andere namen die niet zijn uitgekomen. Als die bekend worden, hebben er toch een paar een groot probleem.”


In de Dauphiné van 2006 vond jij het onbegrijpelijk dat ik niet geloofde dat Armstrong clean was. Na twee flessen wijn zijn we tot een vergelijk gekomen: Lance reed niet op betere brandstof dan de rest.

(lacht) “Dat weet ik niet meer. Zo was het: dezelfde brandstof. Het is simpel: elke kampioen van zijn generatie heeft de middelen gebruikt die voorhanden en niet opspoorbaar waren. Greg LeMond zegt dat hij een fysiologische uitzondering is, ik geloof hem niet. Een VO2max (maximale zuurstofopnamevermogen, red.) van 92, allee zeg. Ik heb een test van hem en die geeft een waarde aan van 75, niet meer."


“Ik ga niet goedpraten wat er is gebeurd, maar wij hebben doping niet uitgevonden en na ons is doping ook niet gestopt. In 2008 kwam er wel een kentering, en vanaf mijn jaren bij Astana gebeurde niets. Ik was daar blij om en had daar niet de minste moeite mee, want de besten blijven de besten, met of zonder doping."


“Het is hypocriet hoe wij zijn verraden door een stel laffe Amerikanen, hoe al het vuil in onze hoek is geveegd. Europeanen zijn toch anders, ze klikken minder snel. Ik heb ook getuigd, maar ik heb meteen gezegd: ik praat over mijzelf en over niemand anders. Het is nog hypocrieter hoe wij zijn behandeld, vooral als je ziet wie er nog rondloopt in dat peloton en een grote mond opzet."


“In 2014 kreeg ik tien jaar en ik ben in beroep gegaan, hopend op strafvermindering. Vorige zomer kreeg ik een aanmaning van het TAS (Arbitragetribunaal voor de Sport, HV) in Zwitser-land. Snel 36.000 Zwitserse francs (32.000 euro) overmaken, want het beroep had zo lang aangesleept (vier jaar, HV) dat ze niet meer uit de kosten kwamen. Ik heb niet betaald en dacht toen: in het allerslechtste geval blijft het tien jaar schorsing."


‘Ik heb nooit renners tot doping aangezet.

De vraag kwam altijd van de renners.

Ik zou daar niet over liegen als het anders was’


“Mijn advocaat belde: levenslang. Een mokerslag. Ik ben een paar dagen down geweest. Gelukkig was ik toen zwaar aan het trainen, compleet met ketogeen dieet (gericht op vetverbranding, HV), allemaal met het oog op een lange mountainbikewedstrijd die ik met mijn broer zou rijden, de Sierra Norte Bike Challenge, 217 kilometer. Ik heb nog een keer of twee goed getraind en kort daarna arriveerden mijn broer en moeder ook in Madrid. Dat heeft mij geholpen om de zinnen te verzetten. De wedstrijd zelf was zwaar – 4.500 hoogtemeters – maar ik wilde die absoluut uitrijden. Dat heeft mij boven water gehouden.”


In je eigen getuigenis in het 104 pagina’s tellende vonnis, leg jij uit hoe je zelf als renner met doping in aanraking bent gekomen.

“Staat dat daar ook in? Heb jij ze alle 104 gelezen? Moedig. Sorry, ik niet. (bitter lachje) De conclusie levenslang volstond. Ik heb epo zien komen, en hoe. Ineens reden sprinters mij bergop voorbij en liep het halve peloton met frigoboxjes rond. Epo werd de doodnormaalste zaak van de wereld. Of je deed aan epo, of je kwam er niet aan te pas.”


Wat als je niet in beroep was gegaan?

“Dan was het tien jaar gebleven en had ik geen klein fortuin kwijtgespeeld aan advocaten.”


Is dat de reden voor je scheiding?

“Alles kwam bij elkaar. Van vandaag op morgen was ik altijd thuis in plaats van altijd weg. Kort daarna brak ik mijn been met het skiën. Mijn scheenbeen was net onder de knie versplinterd door een torsiebreuk. Ik kon een tijdlang helemaal niks. Ik zag toen hoe mijn vrouw leefde, hoe ze haar gang ging. Enfin, van het een komt het ander. En nu is het oorlog."


“De kinderen zijn na de breuk een jaar bij mij geweest. Mijn vrouw heeft mij altijd verweten dat wij uit Londen zijn vertrokken. Zij was daar graag, ik niet. Bovendien was het te duur en we hadden dit mooie huis in Madrid, waar ik nu nog woon. Zij is nu terug naar Londen en ze heeft de kinderen mee. Ik weet niet van wat ze daar leeft."


“De laatste maand hoor of zie ik mijn kinderen niet. Victoria is 14, zij en ik waren twee handen op één buik, maar nu ben ik de slechte. Via Victoria sprak ik vroeger met Cristian, mijn zoon van 9. Dus nu ook niet meer. Ooit komen ze terug, daar troost ik mij mee."

 

‘Lance Armstrong en ik hebben plannen om iets samen te doen,

maar daar kan ik echt niets over kwijt’


“Ik heb altijd alles voor mijn kinderen gedaan, maar terugkeren naar Londen vond ik erover. Londen is fiscaal interessant als je, zoals ik destijds, geen Engels inkomen hebt en een niet-gedomicilieerde resident bent. Dat voordeel was weg, maar niet het nadeel: het leven is er enorm duur. Bovendien wilde ik al na een jaar weg uit Londen, maar voor mijn vrouw ben ik gebleven.”


Van de zomer werd mij gesignaleerd dat je failliet was gegaan.

(haalt de schouders op) “Dat faillissement ging om één bedrijf. Ik ben zelfstandige en ben met dingen bezig. Ik kan daar niet te veel over kwijt omdat ik tegelijk in een complexe financiële situatie zit die nog eens wordt bemoeilijkt door een zeer moeilijke scheiding. Niemand hoeft zich zorgen te maken om mij. Het is niet meer zoals vroeger, ik pas iets beter op. Vooral voor mijn ex, die is zeer inhalig. Ze heeft al een zaak aangespannen tegen mij voor een Britse rechtbank, maar die vonnissen zijn hier moeilijk uitvoerbaar.”


Zeg nu eens hoe het echt met je gaat?

“Je zei dat je op sociale media zag dat het goed met mij ging, maar dat is niet de werkelijkheid. Met alles wat ik de laatste zes jaar op mijn kop heb gekregen, is het een wonder dat ik nog rechtsta. Ik heb veel nachten wakker gelegen: gewoon de slaap niet kunnen vatten van het piekeren. Ik ben grijzer geworden en mijn haar is dunner, allemaal van de miserie."


“Steun? Van de familie wel, natuurlijk. Ik train de zoon van mijn zus, die bij de beloften rijdt. Ik mag geen wielrenners trainen, familie uitgezonderd. Vrienden in België hoor ik ook geregeld. België is mij niet vergeten. Anderen uit de wielerwereld? Bijna niemand, zelfs niet de mensen die ik van straat heb geholpen." (Midden in het gesprek krijgt hij berichtjes, onder meer van Bradley Wiggins, HV)


“Bradley verzamelt shirtjes. Ik verzamel fietsen, een dure hobby. Ik heb oude originele fietsen van alle renners die op mij indruk hebben gemaakt en die laat ik restaureren. (toont een foto op de iPhone) Hier, de Faema-fiets van Merckx, perfect nagebouwd door Masi, de originele fietsenbouwer. Ooit komen ze van pas in mijn plannen.”


Vlucht jij in tranen, vrouwen, therapie, wijn?

“Ik drink graag wijn, maar nooit alleen thuis. Vrouwen? (lacht) Even genoeg van, maar ik heb vriendinnen. Tranen? Neen, ik ben een West-Vlaming. Therapie hoef ik ook niet. Of toch wel: met de velo rijden.”


Eens een renner, altijd een renner.

“Door die beenbreuk. Fietsen, zei de chirurg. Fietsen in Madrid is levensgevaarlijk, althans op de weg. Dus werd het mountainbike en dat beviel mij buitengewoon. Ik fiets soms met veel beter getrainde atleten dan ik, maar bergop doe ik met die gasten wat ik wil. Raar vind ik dat.”


Ik hoop dat je je hematocriet niet controleert?

“Neen, echt niet. Ik rijd wel op hartslag en als ik ga fietsen – drie, vier keer per week – dan is dat met een trainingsdoel. Pedaaltred, coördinatie, hart, longen, als je van jongs af aan hebt gekoerst, dan heb je dat en dat hou je. Deze ochtend ben ik met wat weekendrijders op pad geweest. Een beetje traag, maar wel goed gezelschap om wat te babbelen. Morgen ga ik alleen en dan gaat het sneller.”


‘Dat is het enige voordeel aan een levenslange schorsing:

ik kan zeggen wat ik wil. Wat kunnen ze doen?

Mij twee keer levenslang schorsen?’


Geen zin om met Lance Armstrong te gaan rijden in Colorado, of is dat te link? Ze willen daar nog 1,6 miljoen dollar van jou.

“Ik denk wel dat ik de VS binnen geraak. Wat er nog speelt, is een burgerrechtelijke procedure, maar ik heb geen ambitie om dat uit te proberen. Lance heeft gezegd dat hij weleens mijn kant uitkomt. Nu gaat het goed met hem. Hij heeft ook zware problemen gehad. Onderschat niet wat zo’n zaak met een mens en zijn gezin doet. Onder meer die schadevergoeding hing als een zwaard boven zijn hoofd, maar hij heeft in mei kunnen settelen voor 6 miljoen. Nog veel geld, maar geen 100 miljoen meer.”


De eerste keer dat het bij jou is gaan dagen dat de hemel op jullie hoofd zou kunnen vallen, was dat met dat boek L.A. Confidentiel in 2004, van Walsh en Ballester?

“Daar stond al een en ander in: mensen die van alles wisten hadden hun mond voorbijgepraat. Maar de trigger voor alles is de comeback van Lance geweest in 2009. Zonder die comeback zouden wij vandaag niet spreken. En was Lance geen Amerikaan, dan zou er ook niets aan de hand zijn. USADA baseerde zich op een federaal onderzoek in de VS om actieve sporters onder druk te zetten. Wat eigenlijk niet mag."


“Toen Lance over een comeback sprak, heb ik hem gewaarschuwd: alles is veranderd, niks is nog toegelaten, en Alberto Contador rijdt zeer rap omhoog. Ik wist dat hij Contador in 2009 niet aankon. Ik vind zijn derde plaats in die Tour van 2009 nog altijd een hele knappe prestatie.”


In de film The Armstrong Lie zie je hem vloeken als Contador hem klopt in die proloog in Monaco.

“Die film heb ik nooit gezien. Ik heb ook nooit één van die boeken gelezen. Ik weet wat er echt is gebeurd en als ik dan zie hoe het allemaal zo eenzijdig, zonder context wordt voorgesteld, laat maar…"


“Ik heb mijn verhaal gedaan bij TAS. Zeer nederig, jawel. Ik had de indruk dat ze mij begrepen. Ik ben in 1999 sportdirecteur geworden. Ik was 34 en wist hoe het peloton rondreed. Ik heb gekozen voor controle en voor de gezondheid. Hematocriet hoger dan 48: niet starten. Tom Danielson kwam in bloedvorm toe voor de Ronde van Catalonië, maar had 48,5. Naar huis, kniepijn was de reden. Ik heb nooit geweten dat bij iemand van ons het hematocriet kunstmatig naar beneden is gehaald. We hebben ook nooit een fuck-up (bedoeld wordt: een dopinggeval, HV) gehad. En dan maar zeveren dat wij op voorhand waren ingelicht... Bullshit.”


Armstrong was een superatleet en dat heeft hij bewezen als age grouper tegen de wereldtop in het triatlon.

“Hoe die nu nog tekeergaat. Op zijn 21ste werd hij al wereldkampioen. Dat was in 1993, hij zonder epo tegen een peloton dat wel op epo reed. Weet je wat zijn en onze sterkte was? Niet onze doping, maar zijn mentaal overwicht. Wat hij deed in koers, grensde aan het onmogelijke.”


Niet dat jullie fraudeerden was het probleem, maar dat jullie zo véél wonnen. En vooral de manier waarop.

“Dat klopt. Wij creëerden een mythe die er helemaal niet was. Lieten wij uitschijnen tegen een plaatselijke journalist dat Armstrong op training zes keer achter elkaar l’Alpe d’Huez naar boven was gereden, dan stond het in alle kranten. In het echt was hij de tweede keer niet eens boven geraakt, zo slecht was hij uit de VS gearriveerd."


“Die speciale tijdritfiets, weet je dat nog, de one million dollar bike? Smaller aan de cranks om beter door de wind te snijden, enfin, een heel verhaal. Wat was de realiteit? Lance was uit vorm naar Murcia gekomen, raakte geen meter vooruit, en al helemaal niet op die fiets. Hij wilde er niet mee rijden. Trek, Nike, Giro, Oakley waren bij dat project betrokken en hadden een hele campagne opgebouwd. Ze waren in alle staten. Dus reden wij gewoon níét met die fiets maar hielden wel het verhaaltje levendig. En iedereen trapte daar in."


“Jan Ullrich zag ons en hij was al geklopt. Soms lachten we daarmee. Aan die overmoed zijn we ten onder gegaan, en door foute inschattingen, zoals de bekentenis van Lance bij Oprah. Blijft hij daar weg, dan is er geen sprake van die spijtoptantenzaak die Floyd Landis tegen hem heeft aangespannen namens de Amerikaanse staat, en die Landis bijna een miljoen dollar heeft opgebracht. Die show bij Oprah is in zijn aangezicht ontploft, dat weet Lance inmiddels ook.”


‘Het is een wonder dat ik nog rechtsta.

Ik heb veel nachten wakker gelegen, ik ben grijzer geworden en mijn haar is dunner,

allemaal van de miserie’


Je betuigde onlangs je spijt, maar heb je niet vooral spijt dat jullie zijn ontmaskerd?

“We hebben geen spijt over de prestaties. Lance hééft zeven keer de Tour gewonnen. Wat de doping betreft, heb ik spijt dat we deel uitmaakten van die generatie die niet zonder epo kon. Ik kan ook geen spijt hebben over de aanklacht dat ik renners tot doping heb aangezet, want dat heb ik nooit gedaan. Die renners wisten heel goed waar de mosterd werd gehaald. Dave Zabriskie, die nu samen met Landis cannabisolie verkoopt, hing een heel verhaal op over hoe ik hem aan de doping heb gebracht. Welnu, dat is compleet verzonnen. Hij heeft er zelf om gevraagd. De vraag kwam altijd van de renners. Ik zou daar niet over liegen als het anders was.”


Is een genuanceerde erfenis Armstrong-Bruyneel onmogelijk?

“Het is erg dat UCI-voorzitter David Lappartient Bradley Wiggins onder zijn voeten geeft omdat die Armstrong als een icoon ziet. Nog erger: Christian Prudhomme die zegt dat Armstrong voor hem niet bestaat. Wie denk je dat de Tour commercieel groot heeft gemaakt? Niets tegen Alberto Contador – fantastische coureur en goeie gast – maar hij is ook een Tour kwijt door doping en vandaag is hij ambassadeur van de Tour. Hoe hypocriet is dat?”


Wat brengt de toekomst?

“Lance en ik hebben plannen om iets samen te doen, maar daar kan ik echt niets over kwijt. Ik werk ook aan een boek. Pokerface is de titel. Tegen de Tour moet het er liggen. Ondertitel: ‘De ongemakkelijke waarheid van het profwielrennen’."


“Ik mis de wielersport niet. In 2007 wilde ik er al uit. Ik had wel liever zelf besloten hoe en wanneer ik was gestopt. Maar ooit kom ik terug. In het wielrennen, jawel. Ik zou graag een tiende Tour winnen. In welke hoedanigheid, dat vertel ik pas als het concreet is."


(denkt na en geeft wat geheimen prijs) “Mooi plan, niet, om al die ellende achter mij te laten? Sinds 1999 draai ik mee in een mallemolen en nogmaals, ik heb veel fouten gemaakt, veel mensen afgesnauwd, ben arrogant geweest, maar het is wat het is. Zelf heb ik ook vaak diep gezeten. Ik moet ook verder.”


De renner

  • geboren op 23 augustus 1964, in Izegem
  • opgeleid als baanwielrenner, werd prof op de weg tussen 1987 en ’98.
  • won twee Touretappes in 1993, waaronder toen de snelste ooit
  • zevende in de Tour van 1993
  • derde in de Vuelta van 1995
  • raakte wereldwijd bekend om zijn val in een ravijn in de afdaling van de Cormet de Roselend in de Tour 1996, waar hij zelf meteen uit klauterde
  • reed voor SEFB, Lotto-SuperClub, ONCE, Rabobank en weer ONCE


De ploegleider/manager

  • vanaf 1999 ploegleider van Lance Armstrong bij US Postal (1999-2004), Discovery Channel (2005-’07), Astana (2008-’09) en RadioShack (2009-’12)
  • won zeven keer op rij met Armstrong als kopman de Tour
  • leidde ook Alberto Contador naar twee Tourzeges
  • in oktober 2012 door de Amerikaanse dopinginstanties beschuldigd van het organiseren, faciliteren, aanzetten tot en vervoeren van doping
  • in 2014 voor tien jaar verbannen uit de sport, omgezet in oktober 2018 in levenslang


Hans Vandeweghe

De Morgen



Lydia Chagoll en Luanda Casella

‘Niets is rationeler dan empathie’

Twee vrouwen over leven en migreren

Tine Danckaers - Mondiaal Nieuws



De een past qua lengte twee keer in de ander. Als de ander haar levensjaren verdubbelt, komt ze nóg niet tot de leeftijd van de een. Die laatste is vluchteling geweest. Ze is een rebel die een wereldoorlog torst, een oorlog die haar zes jaar in de onuitsprekelijke gruwel van een Jappenkamp deed belanden en de tiener in haar koud ombracht. De ander noemt zichzelf de luie migrant maar ze weet wat racisme doet met een mens. En hoe woorden en kennis helpen om je daartegen te wapenen.


Wat filmmaakster-choreografe Lydia Chagoll (87) en woordkunstenares Luanda Casella (42) gemeen hebben is hun directheid, kennishonger en verteldrang. Tastbaarder en banaler is hun Belgische identiteitskaart, ook al zijn ze allebei niet in België geboren. Ze vinden het een triviaal ding, want eigenlijk moet je niet veel kunnen voor zo’n elektronisch kaartje, waarmee nochtans zo gemakkelijk deuren opengaan.


Omdat tijd, leeftijd en taal grenzen hebben, zitten we niet samen om de tafel. De ene dag drink ik pinot gris in een boekenhuisje op een heuvel, in het licht van een spotje en met een serie glimlachende miniboeddha’s in mijn rug. De andere dag drink ik koffie en eet ik zelfgemaakte notencake van de echtgenoot, in een rijhuis, naast de piano van de negenjarige dochter. Dat heel veel mensen minstens een beetje migrant zijn is het gezellige gespreksonderwerp dat ik heb meegebracht.


‘Het was 1932’, zegt Lydia Chagoll.

‘Je “migreerde” niet.

Je ging gewoon naar een ander land.’


Mijn vader maakte een weekblad met nieuws voor Nederlanders die in het buitenland woonden. Omdat Brussel mooi tussen zijn bureaus in Nederland en Frankrijk in lag, en omdat het een centraal punt was in Europa, verhuisden we. Ik was één jaar.’

Technisch gezien is ze dus een migrant. Ze vindt het onzin, al die ‘lullige debatten over migratie waarmee ze ons dagelijks vervelen’. Alsof het bestaat: mensen die altijd op dezelfde plek blijven. Zelfs in het klein verplaatsen mensen zich de hele tijd. Haar ouders waren van Amsterdam, haar zus werd geboren in Rotterdam en zelf gaf ze haar eerste levensgil vlak bij Den Haag. ‘Maakt me dat nu een nomade?’


Tien jaar geleden was de verhuizing van São Paulo naar Gent een simpel gevolg van de pendeljaren die eraan voorafgegaan waren. Het pendelen had Luanda Casella naar Belgische podia, nieuwe uitdagingen en vooral de liefde van haar leven geleid.


Luanda Casella was altijd al de andere geweest. Hoe blank haar huid ook is, ze bleef de zwarte in een witte geprivilegieerde omgeving. Dat ze zich altijd extra moest bewijzen en het racisme te lijf moest gaan, maakte haar soms heel moe maar bovenal moedig. Haar migratie naar België was geen groot obstakel waar ze overheen moest springen. ‘Ik liep gewoon door.’


Afwijkende normen

Af en toe wordt Luanda Casella hier als migrant-in-een-vakje begroet. Haar vaderland doet de fantasie van een Vlaming, ook de cultureel beschaafden onder ons, weleens op hol slaan. Carnaval, samba en voetbalfeesten zijn nochtans niet van toepassing op de Braziliaanse, over de caipirinha’s hebben we het niet eens gehad. Het jaar dat Europalia Brazilië in de kijker zette, werd haar eerste performance-idee afgewezen. Het was niet Braziliaans genoeg. De tweede inzending kreeg wel groen licht: Exotica.

Ik had alle verwachtingen en stereotypen van wat dan wel Braziliaans genoeg was in mijn performance gestopt.


'Exotica was een aanklacht tegen de kolonisering

van het beeld van de Braziliaanse vrouw:

sexy, dom, gewillig, koopbaar.’


Het statement was gemaakt.


Aanpassen aan elkaar doe je met z’n tweeën, gaandeweg vond de podiumwereld dat het meer kon zijn. Luanda Casella mocht meningen hebben die voorbijgingen aan haar geboorteland, vrouw-zijn, zwarte-vrouw-zijn, zwarte-migrant-zijn. Ze vindt het na tien jaar best meevallen hoe ze benaderd wordt, zolang ze niet, ‘écht niet’, tot een slachtoffer wordt gereduceerd. ‘Want soms word je in een heel beperkte framing neergezet: je bent of de luie migrant of het slachtoffer.’ Ze verkiest dus het eerste stereotype, wie zou het andere kiezen?


De Joodse rebel haat passiefvormen – in het leven zit je het best zelf met je handen aan het stuur en met je voet stevig op het gaspedaal. ‘Ik heb bijvoorbeeld niets tegen geloof, maar ik kan er niet tegen als mensen bijvoorbeeld tot hun God bidden dat hun leven mooi mag blijven. Je maakt het zelf. Punt.’ Soms is het individu wel niet opgewassen tegen de dictaten van de macht. Dan moet er gestreden worden.


Nog niet zo heel lang geleden stapte Lydia Chagoll met haar wandelstok door Brussel, in een protest tegen het Israëlische anti-Palestijnse beleid. Het was te veel voor haar lijf, maar ze zal nooit stoppen met het onrecht helder te benoemen en te bestrijden. Ze is een rebel met een warme binnenkant. Ze is direct zonder te beledigen, zegt de waarheid terwijl ze empathisch blijft. Dan komt het hard aan als je als Joodse antisemiet wordt genoemd.


‘De Duitsers hebben mijn hele familie vermoord. Ik heb verdomme in Jappenkampen gezeten. Ik heb jaren moeten zwijgen. Zwijgen. Zwijgen. Toen ik eruitkwam, kon ik niet meer spreken.’ Dans werd haar nieuwe taal. Op haar zesentwintigste – het was 1956 – had ze al haar eigen dansgezelschap.


Het was typisch Chagoll. Ze opende zoals het hoorde met een klassiek Ballet Blanc. En ze week af. Ze zette een Congolese en Chinese danser in witte tutu op het podium, het publiek ademde verschrikt in en uit en applaudisseerde. Ze haalde ook een Japanse danser en een Duitse danseres binnen, een statement tegen het onrecht. ‘Kinderen hoeven geen rekenschap af te leggen voor de daden van hun ouders.’ Niemand besluit om uit bepaalde ouders op een bepaalde plek in een bepaalde taal of een bepaald ras geboren te worden.


Onbehagen

Casella’s vader stamt af van Afrikaanse slaven, Portugese kolonisten en inheemse Indianen. Haar moeder heeft Spaans en Italiaans bloed. ‘Ik ben dus veel rassen of culturen samen. Maar als je puur naar mijn huidskleur kijkt, dan behoor ik tot een uitgesloten ras.’ Ze zat een paar maanden aan haar computerscherm gekluisterd. Hoe dichter de Braziliaanse verkiezingen naderden, hoe groter de wanhoop werd. Het rassendenken kreeg met de nieuwe president Bolsonaro opnieuw een prominente plaats in haar geboorteland, waar het eigenlijk nooit weg was.


‘Brazilië had stappen gezet, er waren wetten aangenomen, maar het gevecht tegen het racisme, de homofobie, het seksisme was nog niet eens goed begonnen.’ Dat de Brazilianen stemden om de militaire dictatuur van haar kindertijd in de jaren tachtig terug te brengen, noemt Casella pure Braziliaanse borderline. ‘Toen Bolsonaro parlementslid was, zei hij recht voor de camera tegen een vrouwelijke collega dat hij haar niet zou verkrachten “omdat ze dat niet eens waard was”. Brazilië heeft een maniak tot president verkozen en dat leidt nu al tot rap toenemend geweld in de samenleving. Ik heb zo’n behoefte om dit te begrijpen, aan mensen die me uitleggen waar dit nieuwe rassendenken, waar die onwetendheid vandaan komt.’


Het zijn vreemde tijden. Mondiaal is een nieuw onbehagen naar boven komen drijven. Lydia Chagoll herkent de angst, ze behoorde zélf tot degenen die gevreesd en gehaat werden. ‘We waren letterlijk nergens welkom. In Frankrijk moesten we eruit omdat we het werk van de Fransen afpakten, in Portugal hetzelfde, in Spanje ook – daar waren we bovendien verdomde democraten – en in Mozambique idem.’


De familie moest ook weg uit Zuid-Afrika. Op 7 november, een maand voor Pearl Harbor, kwamen ze aan in Japan. De mensenrechten werden uitgeveegd, de genocide zou volgen. ‘Het was wit tegen zwart, rijk tegen arm, en één groot antisemitisme.’ Het hield niet op, alle wetten tegen racisme, alle conventies over mensenrechten en goed fatsoen ten spijt.


Vandaag zijn de moslims de gebeten hond. Het is een vooruitgang dat voor de ramen van de Brusselse cafés geen borden meer hangen met “Ni chiens ni Nord-Africains”. We bevinden ons niet meer in de jaren vijftig. Toch is het navelstaren teruggekeerd.


Luisterbereid

Het nieuws van de dag moet snel en gemakkelijk zijn. Het journaille van radio en televisie is jong, snel en ongedocumenteerd en graaft te weinig. ‘We hebben zo’n behoefte aan verhalen. De verhalen zijn er, maar we vinden de plek niet meer om te luisteren. Luisterbereidheid, we ontgroeien het, bazelen na wat men ons voorkauwt omdat tijd geld is en onze agenda’s vol afspraken staan. Druk druk druk.’


Het voorgekauwde schiet door in onze taal, in kranten en in gesprekken. Mensen zijn illegaal, zeggen we. ‘Hoe durf je een medemens illegaal te noemen? Alsof die niet werkelijk bestaat. Alsof die persoon geen naam heeft, geen familie, geen geschiedenis, geen verhalen in zich draagt.’


Misschien is het niet alleen onbehagen, maar een gemakkelijkheidsoplossing, een manier om het laat-maar-waaien te legitimeren. ‘Misschien willen we gewoon niet helpen. Dat kost minder tijd en moeite.’


We praten beter over “Een beetje Nieuws” dan over “Het Nieuws”, zegt Luanda Casella in haar jongste performance Short of Lying. Want het schept verkeerde verwachtingen, creëert illusies. De macht van communicatie is een rode draad door haar voorstellingen. Taal is haar werkmateriaal. Zelf zit ze na tien jaar in een technische tussenpositie van talen. Haar moedertaal is Portugees, schrijven doet ze in het Engels, thuis spreekt ze meer en meer Nederlands. Ze denkt wel steeds vaker in het Nederlands. Het helpt met thuiskomen in gesprekken en in vriendschappen. Aangezien taal cultuur is, brengt het spreken ervan nieuwe gevoelslagen en beter begrip.


‘Als je de taal van een land waarin je woont niet spreekt, komt dat land brutaler over en zijn de verschillen groter en schokkender. Ik weet nog hoe ik de Nederlandse taal zo indirect en passief vond – het duurde zo lang voor ik begreep wat het punt nu was. “Zég het nu dan.” Ze werd wat bedachtzamer, denkt ze, leerde dat ze haar enthousiasme in vriendschappen moest temperen.


'Ze begreep dat de Vlaming wat meer tijd

en een paar glazen alcohol nodig heeft

om zielenroerselen bloot te leggen.'


Gaandeweg ging Casella van onze taal houden, ze vond het een uitdaging en spannend om de zinnen van de ander te voltooien. Ze is geen Braziliaanse meer, ook geen Belg. Of Vlaming.


‘Ik ben een Belg’, zei Lydia Chagoll toen ik haar aan de lijn had. ‘We zullen het over de vanzelfsprekendheid van migratie hebben, omdat u technisch –’ ‘Ik ben een Belg’, onderbrak ze me meteen. Ze zegt het opnieuw. Ze houdt van dit land. Ze is patriot, maar een die niet opstaat voor het volkslied. Dat vindt ze onzin en voer voor nationalisme. We weten waartoe het leidt. Ze heeft veel meer met empathie. Het heeft haar gered van de gelatenheid, het heeft haar tot de rebel gemaakt die ze vandaag is. Ze heeft die rebellie bijwijlen duur betaald maar is empathisch gebleven.


‘Ik word ook altijd heel boos als iemand empathie neerzet als een gevoel. Alweer onzin. Er is niets rationeler dan te pogen je te verplaatsen in de persoon van een ander, proberen te begrijpen. Het maakt het leven ook zo de moeite waard.’


Tine Danckaers

Mondiaal Nieuws



Jean-Pascal van Ypersele

Klimaatwetenschapper

Brief aan mijn achterkleinkinderen

te lezen in 2118



Brief aan mijn achterkleinkinderen, te lezen in 2118.


Lieve achterkleinkinderen,


Op het moment dat ik deze brief schrijf weet ik niet hoe het met de wereld zal gaan rond jullie. Hoewel ik reeds 40 jaar werk rond de toekomst van het klimaat kan ik niet weten welke keuzes in de volgende jaren gemaakt zullen worden. Maar het zijn wel deze keuzes die in grote mate jullie levenskwaliteit zullen bepalen in het jaar 2118.


Vandaag de dag ben ik bang dat de mensheid niet snel genoeg heeft beseft in welke impasse wij beland zijn. Op het moment dat ik jullie schrijf zijn een groot aantal mensen de wegen aan het blokkeren omdat ze een klein beetje meer moeten betalen voor de vervuilende vloeistof die ze in hun oude motoren willen blijven verbranden.


Ik heb begrip voor hun opstand, die ook mede veroorzaakt is door onrechtvaardigheden, en het gebrek aan afdoende alternatieven (openbaar vervoer, fietspaden ... ). Maar het is triest en absurd dat de aanleiding voor deze opstand niet de prijs van de aardolie is, want het gebruik van deze brandstof, maar ook die van steenkool en aardgas, heeft het klimaat ontregeld en doodt elk jaar (door de luchtvervuiling) een half miljoen mensen, alleen al in Europa. Mijn collegas klimatologen en ik zijn nochtans voortdurend bezig de alarmbel te luiden en uit te leggen dat we dringend moeten stoppen met het gebruiken van deze gevaarlijke stoffen.


Te weinig wordt er naar ons geluisterd, te weinig wordt er gehandeld. Maar door de atmosfeer te blijven gebruiken als CO2 vuilnisbak, waarmee we de isolerende deken rond de aarde steeds dikker maken, zagen we wel de enige tak door waarop we kunnen zitten in het zonnestelsel. Velen houden nog vast aan oude gewoontes, hun oude technologieën en hun treurige filosofieën: “na mij mag de zondvloed kmoen, als ik het maar goed heb”.


Ik hoop dat dit zal veranderen, en snel. Ik weet dat het mogelijk is. Want er zijn ook mensen, en ze zijn met veel, die in het hart geraakt zijn door de ernst van de  situatie, en die volkomen begrepen hebben dat er dringend gehandeld moet worden. Ze zijn begonnen met de strijd om een samenleving te bouwen, en een model voor economische ontwikkeling dat werkelijk “duurzaam” is. Dit betekent respect voor alle mensen, en respect voor de natuurlijke cycli en ecosystemen die de leefbaarheid van onze aarde verzekeren.


Ik zie deze mensen die besloten hebben hun manier van leven te veranderen, of de manier waarop hun onderneming werkt, en om een stem uit te brengen denkend aan de gevolgen van hun keuze voor de toekomst van ... hun achterkleinkinderen, inderdaad. Als deze mensen hun stijd winnen tegen de korte termijnwinst en tegen de onrechtvaardigheid (die twee gaan hand in hand), dan zal het leven goed zijn voor jullie in 2118, mijn lieve achterkleinkinderen.


Op dit moment moet ik bekennen dat de tranen mij in de ogen staan, want ik kan er niet zeker van zijn dat deze inspanningen en deze veranderingen snel genoeg zullen komen, en grootschalig genoeg zullen zijn om de klimaatcrash, en het verdwijnen van vele dier- en plantensoorten te vermijden.


Binnen enkele dagen zal ik niettemin met de trein naar de COP24 vertrekken, naar de klimaatconferentie in Polen om het gevecht voort te zetten en de situatie te doen keren. Met jullie in gedachte.


Ik vraag jullie één ding: denken jullie ook aan de gevolgen van jullie keuzes van vandaag voor jullie ahterkeinkinderen en alle kinderen van de wereld in 2218.


Jean-Pascal van Ypersele

Klimaatwetenschapper



Ludo Abicht

Filosoof

Bart De Wever zou toch beter moeten weten



Ludo Abicht is filosoof en o.a. auteur van De Joden van Antwerpen

en co-auteur van Israël - Palestina. De kaarten op tafel.


Deze week circuleert er in de Verenigde Staten een videoclip waarin een acteur illustreert wat Jezus Christus zou zeggen en doen indien hij Republikein geworden zou zijn. Het filmpje begint met een opname van ‘Jezus’ met een vluchtelingenkind op zijn arm: “Wat doen we met deze verkrachters en misdadigers? Steek dit kind meteen in een detentiecentrum en stuur het terug!”


Een paar weken geleden, tijdens de Marrakech-crisis, had je met een beetje goede wil nog kunnen zeggen dat de leiders van de N-VA de hele discussie onhandig hadden aangepakt en inderdaad een aantal punten in dat ‘niet-bindende maar blijkbaar moreel o zo belangrijke pact’ ter discussie hadden kunnen voorleggen. Alleen hadden ze de kans twee jaar geleden laten voorbijgaan en verloren ze daarmee zelfs het krediet van de slechte verliezers. Indien, zoals ze vreesden, een aantal meerduidige passages in die tekst tot voor hen onaanvaardbare gevolgen zouden leiden, konden ze zich daar achteraf nog altijd met hand en tand tegen verzetten, in de naam van de democratie en het gezond verstand. Maar die kans hebben ze nu verspeeld: het pact is ondertekend en de N-VA zit onverwachts in de oppositie.


Erfenis

Het is in dat brede kader dat ik de uitspraken van Bart De Wever over de Palestijnse vluchtelingen en asielzoekers uit Gaza tracht te duiden.


Tot nog toe had de N-VA de nogal uiteenlopende erfenis van de Volksunie inzake mensenrechten geërfd: er was een vleugel met onder meer Frieda Brepoels en Eric Defoort die de humanistische en humanitaire traditie van mensen als Nelly Maes en Maurits Coppieters voortzetten en zich inzetten voor de rechten van alle mensen die hier legaal bescherming en de kans op een tweede leven kwamen zoeken, in een Vlaanderen dat er prat op gaat zichzelf uit het moeras van de miskenning en onderdrukking te hebben bevrijd. Een Vlaanderen dat het economisch nog altijd zo goed stelt dat het dit op een gecontroleerde en verantwoorde manier inderdaad kon schaffen.


Er was binnen dat Vlaams-nationalisme echter ook een vleugel die dit niet zag zitten en die vanaf het begin grapjes maakte over het voorspelbare failliet van de politiek van Angela Merkel in het algemeen en in toenemende mate afstand nam van de solidariteit met de Palestijnen in het bijzonder. Het is niet abnormaal, maar wel moreel laakbaar dat deze eenzijdigheid sinds 1948 zowat de leidraad geweest is van vrijwel alle Antwerpse burgemeesters en schepenen, of ze nu sociaal-democraten of liberalen waren, christen-democraten en, de laatste jaren, Vlaams-nationalisten.


Wie ook maar iets weet over de situatie in Gaza moet verwonderd zijn

dat niet méér mensen willen ontsnappen


Dat deze verkozenen des volks tijdens de eerste decennia na de oorlog terecht met het trauma van de Antwerpse medeplichtigheid aan de Holocaust gewrongen zaten, was begrijpelijk. Dat ze dit onbehaaglijke gevoel trachtten te compenseren door niet alleen de naoorlogse Joodse gemeenschap te beschermen en te bevorderen is maar normaal, temeer daar het antisemitisme ook in Antwerpen onloochenbaar nog altijd bestaat. Dat ze daarbij ook meteen de ogen sluiten voor de Israëlische politiek ten opzichte van de Palestijnen is daarentegen moreel begrijpelijk noch normaal.


Menselijk

Wie ook maar iets weet over de situatie van de burgerbevolking in Gaza moet verwonderd zijn dat niet méér mensen wanhopig uit die overbevolkte oorlogsregio die al een halve eeuw door armoede, vervuild water en uitzichtloosheid getroffen is, willen ontsnappen. Dat ze elke gelegenheid, desnoods ook de ‘hulp’ van mensensmokkelaars aangrijpen, zolang ze maar een kans zien om hun leven niet opnieuw, maar voor de eerste keer op te bouwen, is toch menselijk, niet?


Wat echt onbegrijpelijk blijft, is het feit dat iemand die intelligent en meer dan voldoende historisch geschoold is om dat alles te weten en aan te voelen zich om een of andere reden genoopt voelt te praten als Donald Trump. Misschien kan Trump ooit het excuus van zijn domheid en onwetendheid inroepen. Dit excuus geldt niet voor Bart De Wever.


Ludo Abicht in De Morgen



Gino Russo

Vader van vermoorde Mélissa

Van de Witte Comités naar de gele hesjes: Gino Russo blijft strijdbaar

"De tijd dat men ons iets kon wijsmaken, is voorbij"

Sue Somers - De Morgen



Vader van vermoorde Mélissa draagt nu een geel hesje: "We leven verdorie in België, niet onder Erdogan!”


Hoeveel slaag kan een mens in het leven krijgen en nog rechtop blijven staan? Gino Russo, vader van Mélissa, een van de slachtoffers van Marc Dutroux, en sinds kort drager van een geel hesje, geeft het voorbeeld. “De armoede van mijn ouders heeft het politieke beest in mij wakker gemaakt.”


In de lokalen van de vzw Julie et Mélissa, in een bescheiden appartement in Jemeppe, deelgemeente van Seraing, zit Gino Russo achter een dampende kop koffie. Op de ramen ligt een dikke laag plakkerig stof, het keukentje kan een opfrisbeurt gebruiken. Sinds het proces-Dutroux in 2004 is Russo hier alleen geweest om de verwarming aan en uit te zetten en de post op te halen. Het naambord aan de deur is er altijd blijven hangen.


Het appartementje puilt uit van de paperassen. Op de bovenverdieping neemt het archief van de zaak-Dutroux – een half miljoen pagina’s, netjes gesorteerd in thematische ringmappen – een volledige kamer in beslag. Ernaast, op de overloop, het al even imposante archief van de vzw zelf, met dossiers van slachtoffers van seksueel misbruik en van wat Russo ‘les injusticiables’ noemt, mensen die nooit verhaal hebben kunnen halen bij het gerecht en die ten einde raad bij de vzw Julie et Mélissa aanklopten.


Russo heeft het druk. Na bijna veertien jaar waakstand is de vzw sinds een maand weer actief. Er is iemand in dienst genomen om Russo te helpen bij het titanenwerk waarmee hij zichzelf heeft opgezadeld: de digitalisering van zijn bewogen verleden. Documenten scannen, beelden van videobanden op harde schijven kopiëren...


Aan het werk is hij niet meer. Russo is een SWT’er: een werkloze met bedrijfstoeslag, het systeem dat in de plaats is gekomen van het vroegere brugpensioen. Vier jaar geleden werd Russo ontslagen bij staalreus ArcelorMittal, waar hij zijn hele leven aan de slag was geweest, eerst als arbeider, daarna als vakbondsafgevaardigde. Nadien heeft hij nog enkele jaren gewerkt als coach bij een Waalse reconversiecel. “Om mensen bij te staan die pakweg dertig jaar hetzelfde werk hebben gedaan, op hun 48ste ontslagen worden en alles verliezen. Welk bedrijf wil zulke mensen nog aannemen? We voelen heel goed dat er op politiek vlak niets voorbereid wordt voor hen. Dus wat moeten ze?”


Russo grijnst. “Die worden allemaal gele hesjes.”

 

‘Links heeft zich tot de bourgeoisie gewend,

waardoor de armen plots zonder vertegenwoordiging zaten’


Ook de papa van Mélissa trok begin december een geel hesje aan. Actievoerders vroegen hem of hij wilde meegaan naar de nationale betoging in Brussel. “Ik zei eerst nee, maar ik was de beweging wel al een tijdje aan het observeren. Ik heb met hen afgesproken, ze hebben me hun motieven uitgelegd en op 8 december ben ik met mijn hesje op de trein naar Brussel gestapt.”


Hun eindstation hebben de actievoerders die dag nooit bereikt. “De politie heeft ons verplicht vroeger af te stappen om ons door een controlepost te laten gaan, waar we werden gefouilleerd alsof we terroristen waren. Met de metro ben ik uiteindelijk op de plaats van afspraak geraakt. Daar heb ik met enkele mensen gesproken en naar hun verhalen geluisterd. Een week later ben ik opnieuw met hen gaan betogen.”


U lijkt me niet meteen het doelpubliek van de gele hesjes.

Gino Russo: “Op financieel vlak niet, nee. Ik heb een inkomen en kan goed leven. Alle grote kosten zijn gedaan: ik heb een huis, een auto, mijn zoon heeft werk en staat op eigen benen. Ik ben geen 25-jarige die gaat samenwonen met zijn lief en aan kinderen wil beginnen, terwijl ik maar 800 euro per maand verdien, zoals de jongeren die ik op de betoging heb gesproken."


“De voorbije drie jaren heb ik mensen begeleid die ontslagen waren. Ik heb de armoede alleen maar zien toenemen. Zelfs ik, die mijn facturen nog altijd kan betalen, merk dat alles duurder wordt: elektriciteit, verwarming, taksen. Mijn verzekeringspremies worden elk jaar hoger, terwijl mijn inkomen hetzelfde blijft.”


Economen zeggen dat onze koopkracht er de laatste jaren alleen maar op vooruit is gegaan.

“Dat is wat we moeten geloven, maar de realiteit is anders. Er gaapt een groot gat tussen wat men vertelt en hoe de mensen echt leven. Maar daar wordt niet over gepraat en dat maakt de mensen die het moeilijk hebben om het einde van de maand te halen, enorm kwaad. Volgens mij gaat het na de feesten erger worden. Het nieuwe jaar gaat nog meer boze mensen brengen – beter gaat het er alleszins niet op worden. Er komt een mondiale recessie op ons af.”


Toen ik de straat inreed, zag ik op het einde een gebouw van staalbedrijf ArcelorMittal. Is dit het epicentrum van de Luikse gele hesjes?

“Er zijn behoorlijk wat arme plekken in Wallonië, en Jemeppe is er daar zeker een van, ja. Dit is de gemeente waar ik geboren en getogen ben. Jaar na jaar is het hier achteruitgegaan: meer armoede, meer daklozen, meer clochards. Je vindt hier ook alleen maar winkels zoals Aldi en Action."


“Dit is het staalbassin, het centrum van de oude staalnijverheid met de fabrieken van Cockerill. Vandaag is hier alleen nog ArcelorMittal, waarvan onlangs de helft is verkocht. ArcelorMittal heeft Ilva, een fabriek in het zuiden van Italië met de grootste staalproductie van Europa, opgekocht. Om in orde te zijn met de Europese concurrentieregels moest Mittal een deel van zijn bedrijf afstoten en het heeft daarvoor Wallonië uitgekozen.”


Toch zie je hier amper iets van verzet broeien. In Frankrijk zijn de gele hesjes standvastiger en meer zichtbaar. Hoe komt dat, denkt u?

“Wellicht hebben culturele en historische aspecten daar iets mee te maken. De Fransen zijn vastberadener, Belgen lijken gelaten.”

Christiane Taubira, minister van Justitie in Frankrijk onder François Hollande, wijst op de verpletterende verantwoordelijkheid van links, wiens staat ze als ‘wanhopig’ bestempelt.

 

‘Het is on-toe-laat-baar

hoe de politie de betogers op 8 december behandelde.

We leven verdorie in België, niet onder Erdogan!’


“Ze heeft gelijk. De laatste jaren hebben linkse partijen overal in Europa gestreden voor burgerlijke rechten: het homohuwelijk, rechten voor nieuwkomers... Maar ze hebben de economische en sociale strijd uit het oog verloren. Links heeft zich veilig genesteld in de hoek van alles wat cultureel is. Ze hebben zich tot de bourgeoisie gewend en hun rug getoond aan de rest, waardoor de armen plots zonder vertegenwoordiging zaten. De vakbonden en het middenveld hebben praktisch geen macht meer en het parlement, dat geacht wordt iedereen te vertegenwoordigen, reageert niet."


“Zo is het kunnen gebeuren dat er tijdens de betoging op 8 december 450 personen zijn opgepakt. Gewone mensen, die ongevaarlijk waren. Ik kon me op tijd bekendmaken, anders was ik er ook bij geweest. De politie heeft hen op de grond gedwongen, met de armen op hun rug en hun handen vastgebonden met plastic bandjes. We leven verdorie in België, niet onder Erdogan! Ik begrijp niet dat niemand in de Kamer daar opheldering over heeft gevraagd. (nadrukkelijk) Dit is on-toe-laat-baar. Die mensen waren totaal niet gevaarlijk. En dan klaagt men dat we ons geloof in de overheid verliezen.”


We letten niet op omdat we het nog goed hebben. Zolang de koelkast maar gevuld is.

(op dreef) “Het is pure onwetendheid. De parlementaire elite begrijpt niet dat een verhoging van 10 procent van de levenskosten mensen in de armoede duwt. In het parlement zitten geen armoezaaiers, of een vertegenwoordiging daarvan. De PTB (de Waalse tegenhanger van de PVDA, red.) laat soms van zich horen, maar zij zijn de enigen. Waar zitten de socialisten en de groenen? Of de zogenaamde humanisten? Zij aanvaarden blijkbaar dat mensen zonder reden worden opgepakt en vastgebonden, terwijl de beelden over heel Europa gaan. Ik heb ze op de Italiaanse tv gezien, niet op de Belgische. Je vindt er ook geen foto’s van op het internet. De overheid verbergt haar fouten. Maar de mensen zijn geen idioten. De tijd dat men ons iets kon wijsmaken, is voorbij.”


Voelt u zich voor een stuk mee verantwoordelijk voor de huidige situatie? U bent altijd afgevaardigde geweest voor de FGTB, de Waalse socialistische vakbond.

“Je kunt niet ontkennen dat de vakbonden bourgeois geworden zijn. Ze hebben de band met de werknemer losgelaten, misschien niet altijd bewust. Dus trekken mensen een geel hesje aan en laten ze van zich horen. En als ze spreken, doen ze dat in eigen naam. Er zijn wel strategische vergaderingen, maar er is geen verticale organisatie. En dat is noodzakelijk als ze resultaten willen.”


‘Ik zou een leider kunnen zijn’, zei u onlangs in het onlinemagazine Wilfried.

“Dat had ik gekund, als ik twintig jaar jonger was geweest. Vandaag heb ik de kracht niet meer. Mijn leven heeft me emotioneel uitgeput. Ik voel me sowieso dichter bij de gewone mensen dan bij de elite, die ik in een bepaalde periode van mijn leven heb leren kennen. Ik kan wel raad geven aan de gele hesjes: ik zou ze adviseren niets te eisen en alleen hun situatie te tonen. Het is niet aan de burgers om structurele problemen op te lossen. Dat is de taak van het parlement en de regering.”


Ik zou u willen terugnemen naar 1996...

(lacht) “Ah, toen ik de zon was!”


U vormde destijds een bedreiging voor de grote politieke partijen. De Witte Mars had 300.000 mensen op de been gebracht, u had macht.

“Ja, dat heb ik ook zo gevoeld. Maar die macht kwam van de basis. Politici wisten niet hoe het dagelijkse leven van gewone mensen eruitzag. Ze beseften niet wat wij konden teweegbrengen. Daarom moeten we de gele hesjes niet negeren: het kan uitdoven, maar de beweging kan evengoed opflakkeren. Schrijf ze nog niet af.”


Kun je de gele hesjes vergelijken met de Witte Comités die in de jaren 90 her en der in het land ontstonden en die het tekortschieten van politie en gerecht aankaartten bij het misbruik en de verdwijning van kinderen?

“De Witte Comités en de gele hesjes gaan allebei over onrecht. Vroeger stonden het gerecht en de politie ter discussie, vandaag de economie. De Witte Mars is er gekomen omdat we ons verraden voelden door de instellingen. Als ouders van verdwenen en misbruikte kinderen klaagden we over de manier waarop het gerecht functioneerde en ons in de kou liet staan. Wij werden neergezet als die arme ouders, die zomaar wat zeiden omdat ze pijn hadden."


“Maar uiteindelijk hebben we over de hele lijn gelijk gekregen. De parlementaire onderzoeks-commissies hebben aangetoond dat de politie en het gerecht niet alles hebben gedaan om Julie en Mélissa terug te vinden. Een paar dagen na hun verdwijning stond de naam van Marc Dutroux al op de radar. Met die informatie is te weinig gedaan. Het land had zijn inwoners verraden en dat heeft de Witte Mars uitgelokt."


“Als volk hebben wij de gewoonte om te delegeren. We gaan stemmen en denken: de verkozenen zullen het zich wel aantrekken en het goed doen. Maar zij laten het afweten.”


Wat hebt u gedaan met de macht die u destijds in handen had?


‘Op menselijk vlak ben ik blij

dat het gemis van Mélissa zin heeft gehad.

Zo leeft ze toch nog’


“Ik heb er niet van geprofiteerd en dat is mijn geluk geweest. Ik had niets te bewijzen, ik heb gewoon geprobeerd te vertolken wat er leefde bij de ouders van de ontvoerde en vermoorde kinderen.


“Toen Julie en Mélissa in 1996 teruggevonden werden, zag ik op de kalender dat we nog maar drie jaren verwijderd waren van de volgende parlementsverkiezingen. We hadden drie jaar om iets te veranderen, om te corrigeren wat er in de zoektocht naar Julie en Mélissa fout was gelopen. Dat is gelukt, maar het heeft ons veel energie gekost. Als je een politieke strijd wilt voeren, kom je maar beter gewapend aan de start. Maar wij, de ouders, waren al lamgeslagen nog voor we eraan begonnen. En toch hebben we doorgezet. Het systeem heeft nooit gedacht dat we het zo lang zouden volhouden.”


Was de vzw Julie et Mélissa een hulpmiddel in die strijd?

“De vzw was in de eerste plaats een toevluchtsoord voor slachtoffers van seksueel misbruik die bot hadden gevangen bij het gerecht. Dat waren moeilijke dossiers, waarin een psycholoog ons bijstond. Op den duur kregen we iedereen over de vloer die niet tevreden was over het gerecht en mensen die vonden dat ze het slachtoffer waren van favoritisme. We hadden een groot bereik: ons trimestrieel tijdschrift had 10.000 abonnees. Er waren ook veel donateurs – subsidies heb ik altijd geweigerd. Met dat geld is de vzw kunnen blijven bestaan en kan ik vandaag opnieuw iemand in dienst nemen. Vroeger werkten hier drie meisjes. Een van hen heeft zelfs het assisenproces gevolgd.”


U en uw vrouw zijn nooit naar het proces in Aarlen willen gaan omdat jullie het niet eens waren met de visie van de onderzoekers. Maar onrechtstreeks waren jullie er toch?

“Via de vzw waren we erin geslaagd een perskaart te bemachtigen. Een van de meisjes is elke dag naar het proces geweest en maakte aantekeningen, die hier werden uitgetikt en verwerkt – het waren de meisjes die dat zo hadden beslist. Zij vonden dat als wij het woord wilden nemen, we op de hoogte moesten zijn van wat er gezegd was.”


Waar bent u, terugblikkend, het meest trots op?

“Dat als je het vandaag over Julie en Mélissa hebt, de mensen weten over wie het gaat. In moordzaken gaan de daders meestal met alle aandacht lopen – misdaad fascineert mensen, ze willen er alles over weten. Maar over de slachtoffers werd zelden gesproken. Dat is nu veranderd.

 

‘Het zou weleens kunnen gaan zoals in Italië.

Dat waren ook eerst mensen

die op pleinen stonden te protesteren.

Nu zitten ze in de regering’


“Ik zou ook de wet-Franchimont kunnen noemen, en dat je na je verhoor een kopie van het proces-verbaal mee naar huis krijgt. Of dat wanneer je kind verdwijnt, het kindergeld niet meteen wordt ingehouden. Er zijn dankzij ons heel wat wetgevende initiatieven genomen, maar vooral op menselijk vlak ben ik blij dat het gemis van Mélissa zin heeft gehad. Ze is dood, maar ze leeft nog."


“Het klinkt nu alsof die periode achter me ligt, maar ze is eigenlijk nog altijd bezig. Als je Bruno Dayez (de advocaat van Marc Dutroux, red.) bezig hoort over de voorwaardelijke vrijlating van zijn cliënt, dan vraag je je toch af wat er door het hoofd gaat van die man. Eerst was er de vrijlating van Michelle Martin en het gedoe over het klooster waar ze verbleef, waarna een rechter zich over haar heeft ontfermd die overal rondtoetert dat we haar moeten vergeven. Het blijft maar bezig, wij krijgen geen rust. En behalve energie moet ik ook nog geld vrijmaken om daartegen in het verweer te gaan (Russo diende klacht in tegen Bruno Dayez bij de orde van advocaten, red.). Eigenlijk is het pure provocatie. En de pers gaat daar gewillig in mee.”


U kunt zich nog altijd boos maken.

“Ik bezit nog altijd het vermogen tot verontwaardiging, ja. Niet alleen over de zaak-Dutroux, maar over het leven in het algemeen. Het is gemakkelijker om in je zetel te blijven zitten en niets te doen, maar daar zul je niks mee bereiken.”


Hebt u uw rechtvaardigheidsgevoel en de aanleg voor politiek van thuis meegekregen? Uw moeder was secretaris van de communistische partij in Sicilië.

“Mijn ouders waren arm en ik denk dat ik onbewust hun strijd mee heb gevoerd om zich te integreren. Ik was een kind van de cité. Toen ik 10 jaar was, kocht mijn moeder mijn kleren op de markt. Ik droeg carnavaleske hemden en schoenen die op niets trokken. Ik zag de mensen kijken. De armoede van mijn ouders voelde aan als een onrecht. Dat heeft het politieke beest in mij wakker gemaakt."


“Ik ben maar tot mijn vierde middelbaar naar school geweest, daarna wachtte het bandwerk in de staalfabriek. Ik werkte in ploegenshiften, voor een jongere is dat confronterend. Terwijl mijn vrienden in het weekend uitgingen, moest ik gaan werken."


“Op het werk verdedigde ik mijn collega’s. Als er onrecht was, kwam ik tussenbeide. Dat kwam de vakbonden ter ore, die me vroegen of ik lid wilde worden. Eerst zat ik als arbeider in de ondernemingsraad, waar het alleen maar ging over cijfers en diagrammen – ik snapte er niets van. Later werd ik afgevaardigde. Ik was de man van de vloer, ik nam het liever op voor de mensen.”


Er hebben veel politieke partijen bij u aangeklopt. Waarom hebt u nooit toegehapt?

“Die waren niet geïnteresseerd in wat ik zei, dat was alleen maar om stemmen te ronselen. Toe-treden tot een partij en je eigen ideeën uitvoeren: vergeet het. Ik heb dat gezien bij mijn vrouw Carine, die van 2007 tot 2009 senator was voor Ecolo. Politiek is een soort sekte, een spel dat alleen ingewijden mogen spelen. Je stapt op een carrousel en moet meedraaien. Je dient een wetsvoorstel in, maar omdat je niet tot de meerderheid behoort, wordt het afgekeurd."


“Er is vandaag te veel politiek. Er valt niet meer naast de politieke uitzendingen te kijken, politici struikelen over elkaar om op tv te komen. Ze zitten voortdurend in campagnemodus. Dat wordt problematisch: het gevaar bestaat dat de mensen gedegouteerd raken. Het zou weleens kunnen gaan zoals met de Vijfsterrenbeweging van Beppe Grillo in Italië. Dat waren ook eerst mensen die op straten en pleinen stonden te protesteren. Nu zitten ze in de regering, waar ze ministers leveren voor de posten Werk en Justitie.”


De Vijfsterrenbeweging heeft een nare bijklank omdat ze populistisch is.

“Meer nog: ze eisen die titel op. Ze voelen zich verraden door links en houden niet van rechts, omdat die voor de rijken rijden. Hun discours is simpel: het establishment buiten, wij gaan het zelf doen. Mensen worden met pensioen gestuurd om jongeren aan het werk te helpen, de armsten krijgen een extra uitkering. Gedaan ook met de onduidelijke geldstromen. Goed, in Italië is het nogal karikaturaal, maar in België zijn er toch ook populisten? Bij N-VA zie ik niets anders. Ik zie trouwens het verschil niet tussen de N-VA en de extreemrechtse Lega Nord in Italië – daar durven ze zelfs geen kinderen van vluchtelingen op te sluiten zoals bij ons. Nee, wij sluiten de ogen voor wat er gebeurt in ons land en maken ons liever druk over Órban en Trump. Maar er wordt niet uitgelegd waarom Órban en Trump er zijn, want dan moeten we het over de oorzaken hebben."


“Mensen hebben geen vertrouwen meer in traditionele politici, die doen alsof ze niets te maken hebben met populisme. Maar zij hebben het gecreëerd, ze oogsten wat ze gezaaid hebben. En dan wijzen ze het volk met de vinger.”


Met de gele hesjes dreigt het dezelfde kant op te gaan. Hen worden extreem-rechtse sympathieën toegedicht.

“Wat een dooddoener. Zelfs als zouden ze een groene broek aanhebben of een rode pet opzetten, dan nog werden ze voor extreemrechts versleten. Wij hebben hetzelfde meegemaakt met de Witte Comités, die zogezegd ook extreerechts waren. Maar praat eens met die mensen: je zult zien dat ze lijden en dat ze zich daarom radicaal tonen. Ze worden onderdrukt."


“Het establishment is bang voor emoties. Maar het is door emoties dat dingen veranderen, niet door rationele overwegingen. We leven in een maatschappij die wordt geregeerd door de ratio. Prestaties en performantie zijn de codewoorden. Mensen zijn productiemachines geworden die de economie moeten doen draaien. Als je koopt, gaat het alleen nog over het geld, niet over het product. Een auto? Hier is de lening. Een nieuwe keuken? Dit zijn onze afbetalings-voorwaarden. Ons systeem draait op schuld, die het geld creëert. Waar zit de emotie nog? Die zie je alleen maar op Facebook en Instagram.”


Verbaast het u soms dat u er nog bent, na alles wat u hebt meegemaakt?

“Ik heb me vaak afgevraagd hoe ik het volgehouden heb. Er is veel tegenslag geweest in mijn leven, maar ik kan nog altijd om mezelf lachen. Misschien ben ik er nog omdat ik nooit iets gewild heb. Ik heb het nooit gedaan voor de erkenning. Ik deed interviews, leerde politici kennen, begaf me in hogere kringen, maar ik verwachtte niets terug. Ik kon niet vernietigd worden – dat had het verlies van mijn dochter al gedaan."


“Ik heb alles op een dienblad aangeboden gekregen, maar ik ben altijd een gewone werknemer gebleven. Titels zouden me niet gelukkig gemaakt hebben. Mijn waarden zijn vriendschap, de uitwisseling tussen mensen, gezien worden. Daarom dat ik de gele hesjes een warm hart toedraag: zij worden niet geduld door de academici en de intelligentsia, die hen beschouwen als brol in de marge."


“Maar uiteindelijk willen de gele hesjes erkend worden voor wie ze zijn, net zoals iedereen.”


Uw vrouw Carine bracht twee jaar geleden het boek 14 maanden uit, waarin ze de periode beschrijft van Mélissa’s verdwijning. Hoe was het voor u om die maanden te herbeleven?

“Het boek deed me beseffen hoe uitzonderlijk het is dat Carine en ik nog samen zijn. Een trauma zoals dat van ons vraagt vaak om radicale ingrepen. Je wilt breken met het verleden en denkt dat je alles moet veranderen, ook je partner. Mensen zoeken het geluk, tegen elke prijs.”


Sue Somers - De Morgen



Top